BLIJF WAAKZAAM!

Bijgewerkt op: 9 apr.



Barensnood


Wij leven onmiskenbaar in de allerlaatste dagen vóór de wederkomst. Dat mogen we afleiden uit de voortekenen die daaraan voorafgaan, zoals toenemende wetsverachting en liefdeloosheid, misleidingen en valse leringen, oorlogen en opstanden, natuurrampen en epidemieën, vrees onder de volken en radeloze angst onder de mensen [Mattheüs 24:3-29; Lucas 21:8-26].


De Bijbel vergelijkt deze tijd veelzeggend met die van een zwangere vrouw in barensnood [Mattheüs 24:8; Jesaja 13:8].


Desondanks mogen we uitzien naar de vervulling van alles wat voorzegd is over deze tijd. Niet omdat de rampen en maatschappelijke stormen die over de wereld komen ons vrolijk zouden stemmen [Jeremia 25:32] – zeker niet – maar wel omdat het de voortekenen zijn dat de verlossing nabij is. Dát is het perspectief van waaruit we mogen kijken naar de dingen die gaande zijn en de dingen die nog gaan komen [Lucas 21:34-36]. Vandaag wil ik daarop met jullie wat dieper ingaan.


Geloofsafval


Anders dan in sommige evangelische kringen nog weleens wordt beweerd, komt er niet eerst nog een grote wereldwijde opwekking voordat Jeshua terugkomt. Nee, precies het tegenovergestelde vindt plaats: velen keren zich juist af van het geloof. De kerken lopen leeg, niet vol. Dat mogen we allereerst afleiden uit de woorden van Jeshua zelf [Lucas 18:8], wanneer Hij zegt: (…) als de Mensenzoon komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?


Maar ook Paulus wijst daarop in zijn brief aan de Thessalonicenzen.


2 Thessalonicenzen 2:3 – (…) De dag van de Heer breekt niet aan voordat velen zich van het geloof hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, hij die verloren zal gaan.


Met ‘de wetteloze mens’ doelt Paulus niet op een specifieke persoon – wat nogal eens wordt gedacht –, maar op de mensheid zoals die zich aan het einde van de wereldtijden zal openbaren: rebellerend tegen God en zich inbeeldend dat hij de Allerhoogste kan trotseren.


Weerhouder


In zijn brief aan de gelovigen in Thessaloniki schrijft Paulus dat de wetteloze mens pas zal verschijnen als degene die hem in bedwang houdt is verdwenen [2 Thessalonicenzen 2:7]. Wie is die ‘weerhouder’ – zoals hij vaak wordt genoemd – die de wetteloze mens in bedwang houdt? Velen hebben zich daar de eeuwen door over gebogen en er bestaan daarover uiteenlopende gedachten.


Toch denk ik dat we het niet moeilijker moeten maken dan het is, want wie anders dan de heilige Geest weerhoudt de mens ervan het kwade te doen [Johannes 16:8-11]? Wie anders dan de heilige Geest laat ons geweten spreken wanneer we kwaad doen [Romeinen 2:14-15]? Of – om het met de woorden van Jeshua te zeggen – wie anders dan de heilige Geest maakt ons duidelijk wat zonde, gerechtigheid en oordeel is [Johannes 16:8]?


Dat God Zijn heilige Geest eens van de wereld zou wegnemen, had Hij trouwens al vóór de zondvloed voorzegd, namelijk toen de zonen van God (bene ha Elohim) zich vermengden met de mensen.


Genesis 6:3 [EV] – Toen dacht de HEER: Mijn Geest mag niet voor altijd in de mens blijven rechtspreken, hij is immers niets dan vlees; zijn dagen zullen zijn honderdtwintig jaren.


Het gaat hier niet om de maximale leeftijd van de sterfelijke mens, maar om die van de mensheid. Het Hebreeuwse woord shannèh, dat hier vertaald wordt met ‘jaar’, ziet letterlijk op een tijdsindeling in jaren. Het kan daarom ook betrekking hebben op een periode van zeven jaar die eindigt met een Sabbatsjaar [Leviticus 25:1-5] of de periode van vijftig jaar die eindigt met een Jubeljaar [Leviticus 25:10-12].


Als we ervan uitgaan dat God de wereldtijden heeft ingedeeld analoog aan de scheppingsweek van zes goddelijke dagen en dat voor de Eeuwige één dag is als duizend jaar [Psalm 90:4; 2 Petrus 3:8], zou God in Genesis 6:3 dan niet bedoelen te zeggen dat Hij de mensheid niet langer dan 120 Jubeljaren ter verantwoording wil blijven roepen? Dus niet langer dan (120 x 50) zesduizend jaar?


En dat zou betekenen dat de mens na zes goddelijke dagen van zwoegen [Genesis 3:19], op de zevende dag mag rusten, een millennium lang [Openbaring 20:4].


Dat God de mens niet eindeloos ter verantwoording blijft roepen voor zijn daden, maakte Hij ook duidelijk bij monde van Jesaja:


Jesaja 57:15 – Want niet eindeloos blijf Ik twisten, niet eeuwig duurt Mijn toorn.


Even voor alle duidelijkheid: de Vader neemt Zijn heilige Geest alleen weg van de mens die Hem niet kent of zoekt [Johannes 16:3], níet van de mens die de Vader dagelijks vraagt om Zijn heilige Geest om hem de weg te wijzen naar de volle waarheid [Johannes 16:13]. Dat heeft Jeshua immers zelf beloofd:


Lucas 11:13 Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.


Geest van onderscheiding


Aan het einde van de wereldtijden neemt God dus Zijn heilige Geest weg van de mens die Hem niet kent of zoekt. Dat betekent dat die mens dan ook niet meer in staat is te ‘onderscheiden wat wel en wat niet van de Geest afkomstig is [1 Korintiërs 12:10]. Die mens is daardoor vatbaar geworden voor de leugens en de misleidingen van Satan, die zich immers heeft vermomd ‘als een engel des lichts[2 Korintiërs 11:14].


In de laatste dagen van de wereldtijden gaat de deur dus steeds verder en gemakkelijker open voor het kwaad, omdat steeds minder mensen ‘het kwaad’ als zodanig nog herkennen. Dát is er ook de oorzaak van dat, wat recht is in Gods ogen, in onze dagen in toenemende mate wordt afgewezen en bespot, en dat wat kwaad is in Gods ogen steeds vaker tot wet of norm wordt verheven.


Openbaring 22:11 [NBV/EV] – Wie onrecht doet zal nog meer onrecht doen, en wie goddeloos is zal nog goddelozer worden. (…)


Maar zo leert hetzelfde vers daar staat tegenover dat: wie goeddoet nog meer goed zal doen, en wie heilig is nog heiliger zal worden.


Over wat er aan het einde van de tijden met de wereld gaat gebeuren en over de ijdele plannen van de volken en de afloop ervan, kunnen we onder meer lezen in Openbaring. Daarin doet Johannes nauwgezet verslag van de visioenen en de soms verwarrende beelden die hij krijgt over de eindtijd.


De hoer op het beest


In één van de visioenen laat een engel hem een hoer zien, gezeten op een scharlakenrood beest met zeven koppen en tien hoorns [Openbaring 17]. Aan de ontucht van deze roemruchte dame doen alle vorsten en heersers van de wereld zich tegoed [Marcus 10:42]. Maar ook vele anderen laten zich door de hoer verleiden, zoals de handelaars op aarde, die rijk zijn geworden van de overvloedige luxe die de vrouw zich veroorlooft [Openbaring 18:3].


De engel legt Johannes uit dat de vrouw op het beest een beeld is van Babylon, ‘de grote stad, die heerst over de koningen op aarde[Openbaring 17:18]. Babylon betekent veelzeggend ‘hetgeen-de-markt-drijft’. De naam verwijst dus naar de bron van alle kwaad: geldzucht [1 Timotheüs 6:10].


Babylon is op zijn beurt ook een beeld en staat, net als de hoer, symbool voor alles wat gedragen of omhooggehouden wordt door het beest. Het draait bij de hoer, bij het grote Babylon, dan ook primair om verlangen naar meer geld, meer genot en meer macht. Dát streven is de bakermat van al haar doen en laten, van al haar ideologieën en systemen. En daarin is vanzelfsprekend geen plaats voor de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Dat leerde Jeshua al.


Mattheüs 6:24 Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Je kunt niet God dienen én de mammon.


Scharlakenrood beest


Het scharlakenrode beest waarop de vrouw zit [Openbaring 12:3], is – zoals je al zult hebben begrepen – een beeld van Satan. Hij is het die alle mensen misleidt, zoals hij dat vanaf het begin heeft gedaan, toen de mens nog in het paradijs woonde. In een ander visioen dat Johannes krijgt, wordt dat bevestigd.


Zo lezen we in Openbaring 13:14: ‘Het (beest) wist de mensen die op aarde leven te misleiden (…)’. Dít beest draagt de mensen op een beeld te maken – wat ze ook doen –, waarna het beest het beeld leven inblaast, zodat het kan spreken en ervoor kan zorgen dat iedereen die het beeld niet aanbidt, gedood zal worden.


Beeld


In al onze Bijbelvertalingen wordt het Griekse woord ì-khoon vertaald met ‘beeld’. En dat is op zich niet onjuist, maar het kan ook vertaald worden met ‘vertegenwoordiging’. of 'representant'. En ik denk dat die vertaling duidelijker aangeeft wat hier bedoeld wordt, namelijk dat door de mens een vertegenwoordigend lichaam in het leven wordt geroepen, dat precies doet wat het beest zegt.


Doet dat je niet denken aan de Verenigde Naties (VN), de Europese Unie (EU) en al die niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), die allemaal hun eigen ideologieën huldigen en hun eigen plannen dienen, maar geen enkele notie hebben van de God van Abraham, Izaäk en Jacob en Zijn heilsplan voor de wereld?


Jesaja 42:8 – Ik ben de HEER, dat is Mijn naam. Ik deel Mijn majesteit niet met een ander, noch de lof die Mij toekomt met een beeld.


Zeven wereldrijken


Nog even terug naar het beest waarop de vrouw zit. De zeven koppen op het beest representeren zeven koningen van zeven machtige wereldrijken, zo legt de engel Johannes uit [Openbaring 17:9-10].


Het zijn de zeven wereldmachten door middel waarvan Satan, de eeuwen door, Gods heilsplan heeft proberen te saboteren, in een poging zijn troon boven Gods sterren te plaatsen en te zetelen op de toppen van de Safon, de berg waar Gods heilige naam woont [Jesaja 14:13].


En omdat Gods reddingsplan voor de wereld voert via Zijn volk Israël [Jesaja 43:7; Johannes 4:22], gaat het hier om zeven wereldrijken die een bedreiging waren, zijn of zullen zijn voor het voortbestaan van Joodse volk.


Vijf van de zeven wereldrijken zijn er niet meer, zo vertelt de engel. Met die vijf rijken zal de engel daarom gedoeld hebben op: (1) het Egyptische rijk, dat de Israëlieten als slaaf onderdrukte en hun pasgeboren jongetjes wilde doden; (2) het Assyrische rijk, dat de tien stammen in ballingschap wegvoerde naar een vreemd land; (3) het Babylonische rijk, dat Juda uit zijn land verdreef en de Tempel vernietigde; (4) het Perzische rijk, dat een decreet uitvaardigde om alle Joden op 13 adar te doden; en (5) het Grieks-Macedonische rijk, dat het Joodse land terroriseerde, de Tempel ontheiligde en tienduizenden Joden vermoordde.


Zesde rijk


Het zesde rijk, dat ‘er nu’ is – dus in Johannes’ dagen – is het Romeinse rijk, dat in 70 AD meedogenloos de Joodse opstand neersloeg en Jeruzalem, inclusief de Tempel, in de as legde. Het was het begin van de huiveringwekkende tijd waarover Jeshua amper vier decennia eerder profeteerde:


Lucas 21:23Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! Want er zal ontzaglijk veel leed zijn in het land, en een zwaar vonnis zal de bevolking treffen.


Naar schatting anderhalf miljoen Joden, ongeveer een derde van de bevolking, werd door de Romeinen afgeslacht. Nog eens een derde van de bevolking werd krijgsgevangen genomen of als slaaf verkocht, terwijl opnieuw een derde van de bevolking de grens over vluchtte [Ezechiël 5:12]. De diaspora was daarmee een feit.


Zevende rijk


Het laatste van de zeven rijken ‘moet nog komen en zal dan maar kort blijven’, zo vertelt de engel. Voor Johannes was het inderdaad een toekomstig rijk, maar voor ons niet meer, want met dit zevende rijk moet de engel wel gedoeld hebben op nazi-Duitsland.


Ruim vijf eeuwen vóór Johannes, komt dit wereldrijk ook al voor in één van de visioenen die Daniël krijgt [Daniël 7; wachters.nu/daniel-profeet-en-wachter]. Daniël ziet vier dieren uit de zee opkomen. De eerste drie lijken op een leeuw, een beer en een panter en stellen respectievelijk het Babylonische, Perzische rijk en Grieks-Macedonische rijk voor. Het vierde dier, dat er afschrikwekkend uitziet, met zijn tien hoorns, waartussen een kleine, nieuwe hoorn opkomt, stelt het Romeinse rijk voor en de Europese rijken die daaruit zijn voortgekomen.


Die kleine hoorn die opkomt en waarvoor drie andere hoorns moeten wijken ziet er groter uit dan de andere en voert strijd tegen Daniëls volk. Die kleine hoorn, die er groter uitziet dan de andere, verbeeldt dan ook – net als het zevende rijk uit Openbaring 17:10 – nazi-Duitsland.


Dat de hoorn klein wordt genoemd betekent dat dit rijk ten opzichte van de andere wereldrijken maar kort zal blijven. En in vergelijking met de andere wereldrijken heeft nazi-Duitsland ook maar kort bestaan. Ook in Openbaring 17:10 wordt van dit rijk, het zevende rijk, gezegd dat het maar kort zal blijven.


Dat de hoorn er niettemin groter uitziet dan de andere, wil zeggen dat de impact van zijn heerschappij groter is dan van de andere rijken [Daniël 7:7-9, 7:23-25]. En hoe waar dat is gebleken, weten we allemaal. Zelfs na tachtig jaar is het Joodse volk nog steeds niet hersteld van de verschrikkingen van de Shoah [Ezechiël 38:8].


Achtste en laatste wereldrijk


Vervolgens lezen we in Openbaring 17:11-13 dat het beest zelf de achtste koning is, hoewel hij ook tot de zeven behoorde.


Omdat het Satan niet lukte om het Joodse volk uit te roeien via die zeven wereldrijken, en hij daarmee Gods reddingsplan niet heeft kunnen tegenhouden, zal hij deze keer, deze achtste en laatste keer, zelf de leiding nemen. Niet slechts van één koning zal hij bezit nemen, zoals de zeven voorgaande keren, maar van alle heersers van de wereld. En dat kan hij, want hij is immers de ‘overwinnaar van alle volken[Jesaja 14:12], ‘de heerser van deze wereld[Johannes 14:30].


Dat hij van alle koningen en heersers bezit zal nemen, mogen we ook afleiden uit Openbaring 17. We lezen daar namelijk dat de tien hoorns van het beest zien op de tien koningen die aan het einde van de wereldtijden samen met het beest koninklijke macht zullen krijgen.


Het Griekse woord basileús, dat vertaald is met ‘koningen’, ziet letterlijk op tien ‘hoogste-machten’. Daarnaast staat ‘tien’ in het Hebreeuwse denken voor een kwantitatieve volheid. Vandaar dat de tien hoorns zien op alle koningen, presidenten en regeringsleiders van de wereld.


Het belangrijkste voorteken, waarop wij moeten letten, is daarom de houding van de volken van de Verenigde Naties tegenover Israël.


Zolang de regering van Israël zich gedraagt ‘zoals alle andere volken[1 Samuel 8:5] – zoals tijdens de coronacrisis en nu weer bij de uitvoering van Agenda 2030 – lijkt er geen vuiltje aan de lucht. Maar dat is slechts schijn, want God zelf zal ervoor zorgen dat de heidenvolken zich tegen Israël zullen keren.


Zacharia 12:2 [HSV]Zie, Ik ga Jeruzalem maken tot een bedwelmende beker voor alle volken rondom. Ja, ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem.


Verenigde Naties


Omdat de volken als ijzer en leem zijn dat zich niet laat verbinden [Daniël 2:43], moest Satan iets verzinnen om de volken te verenigen. Er moest iets in het leven geroepen worden waaraan alle volken bereid waren zich te committeren, waarvoor ze allemaal bereid waren te buigen. Er moest een i-khoon opgericht worden dat zo schitterend was, dat alle volken daarvoor ontzag zouden hebben.


En die i-khoon vond Satan toen op 26 juni 1945, anderhalve maand na het einde van de Tweede Wereldoorlog, de volken zich gingen verenigen in de Verenigde Naties met als doel de vrede en de veiligheid in de wereld te waarborgen, gerechtigheid en verdraagzaamheid te verwezenlijken en ieders grondrechten te beschermen.


Een indrukwekkend beeld verscheen zo kort na de zwartste periode in de geschiedenis: een vertegenwoordigend lichaam, waarvoor elk volk zou buigen.


Dekmantel


Maar ondanks die prachtige uitgangspunten, bleken de verheven doelstellingen vaak niet meer dan een dekmantel voor de grootste wereldmachten om hun wil aan andere volken op te leggen.


Maar méér nog dan dat, bleken de Verenigde Naties bij uitstek het instrument van Satan om zijn giftige pijlen af te schieten op Israël [Psalm 64:4] en daarmee op Gods heilsplan. David dichtte daar al over.


Psalm 2:1-3 [EV] Waarom vergaderen de naties zo rumoerig, en beramen de volken ijdele dingen? Waarom stellen de koningen van de aarde zich op, en spannen de heersers samen tegen de HEER en tegen Zijn Messías? Om hun juk af te werpen, en zich van hun boeien te bevrijden.


Voorbereidingen


Het lijkt erop dat God, direct na de Shoah, een begin is gaan maken met de voorbereidingen voor de grote oordeelsdag [Maleachi 3:17]. De dag waarop Hij zich zal wreken op Israëls vijanden voor wat ze Zijn eerstgeboren zoon hebben aangedaan.


Want niet alleen de volken verenigden zich kort na de oorlog, ook de kerken verenigden zich op 23 augustus 1948 in de Wereldraad van Kerken, een instantie die zich als zeer Israëlvijandig heeft doen kennen. Hoe kan het ook anders met een verleden dat doorweekt is van de vervangingstheologie.

Wat denk je: zou het werkelijk toeval zijn dat, toen de volken en de kerken zich gingen verenigen, ook miljoenen Joden uit de hele wereld zich gingen verenigen in het land van hun voorouders, waar zij op 14 mei 1948 de Staat Israël uitriepen [Jesaja 66:7]? De vraag stellen is hem beantwoorden.


Dominante rol


De prominente rol van de VN op het wereldtoneel is eigenlijk nog maar sinds een paar jaar goed zichtbaar. Net zoals de grote invloed van de vele ngo’s en de ondersteunende, propagandistische rol van de media, beide in handen van een oligarchie van multimiljardairs, dat zich naar hartenlust tegoed doet aan de ontucht van de hoer.


De dominante rol van de supranationale instanties was er niet ineens, maar nam toe naarmate de nationale parlementen hun soevereiniteit afstonden aan deze wereldspelers. Waar dit toe kan leiden, hebben we gezien bij de aanpak van de coronacrisis, waarbij de regeringen nog slechts de uitvoerders waren van het beleid dat de WHO dicteerde.


Hetzelfde dreigt nu te gebeuren met de mondiale Ontwikkelingsagenda 2030 van VN, met zijn zeventien ‘Sustainable Development Goals’, waaraan alle 193 VN-lidstaten zich hebben gecommitteerd. Het lijken – ook nu weer – stuk voor stuk nobele doelstellingen, maar nadere bestudering ervan leert dat het in de praktijk de mens tot een moderne slaaf maakt en dat het de rijke en machtige elite van deze wereld nog veel machtiger en rijker maakt.


Naïef


Wees niet naïef door te denken dat het zo’n vaart niet zal lopen, want de uitrol van al die duurzame doelen die ons voeren naar een dystopische maatschappij, is op dit moment in volle gang. Jeshua waarschuwde niet voor niets om voortdurend waakzaam te blijven, zodat we ons niet zouden laten misleiden [Marcus 13:37, 13:5].


Dat we de listen van Satan nooit moeten onderschatten, mogen we afleiden uit Jeshua’s voorbede uit het hogepriesterlijk gebed:


Johannes 17:15 – Vader, Ik vraag niet of U hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of U hen wilt beschermen tegen de duivel.


2030


In 2030 dienen de duurzame ontwikkelingsdoelen te zijn geïmplementeerd. Ook door Nederland, dat sinds 2019 alle nieuwe wet- en regelgeving toetst op overeenstemming met deze doelstellingen.


Waar men bij al die plannen daadwerkelijk naar streeft is een Nieuwe Wereldorde. Dat op zich is niet nieuw – integendeel, de plannen daarvoor zijn al eeuwen oud –, maar nooit eerder is het concept daarvan op zo’n grote schaal door de machtigen der aarde gedragen en op zo’n gedetailleerde wijze uitgewerkt als in onze dagen.


En omdat de meeste mensen, zoals gezegd, niet meer kunnen ‘onderscheiden wat wel en wat niet van de Geest afkomstig is [1 Korintiërs 12:10], zijn velen bereid om actief mee te werken aan de uitvoering van deze zogenaamde nobele plannen.


Babylon is dan ook nog nooit eerder zo groot en machtig geweest als in onze dagen. En met man en macht wordt er aan gewerkt om de stad in 2030 gereed te hebben.


Beker van Gods toorn


Maar ondanks alle inspanningen, zullen de ingrijpende en onbetaalbare veranderingen en transities uitlopen op een grote deceptie, wanneer de striemende gesel van God voorbijkomt, wanneer de heidenvolken de beker van Gods toorn moeten drinken voor het ontzaglijke leed dat ze Zijn volk de eeuwen door hebben aangedaan [Jesaja 51:23]. De Bijbel staat daar vol van.


En daarom lezen we ook dat toen de Vader opstond om zich over Sion te ontfermen, Hij óók Zijn woning verliet om de wereld te laten boeten voor zijn misdaden tegen Juda, om het onschuldig vergoten bloed van Zijn volk te wreken [Jesaja 26:21, 41:8-9; Joël 4:21].


De strijd op de grote dag


De finale afrekening zal plaatsvinden op de laatste dag van de wereldtijden, als de volken van de Verenigde Naties zich verenigen in de strijd tegen Gods volk.


Het is overigens niet het beest dat het initiatief neemt tot die strijd, maar het is God die hem daartoe beweegt. Hijzelf roept de heidenvolken op om hun ploegijzers tot zwaarden om te smeden en hun snoeimessen tot speren [Joël 4:9-15]. Hijzelf is het die van Jeruzalem een bedwelmende beker maakt, die de heidenvolken in een vlaag van verstandsverbijstering brengt en hen laat optrekken tegen Juda en Jeruzalem [Zacharia 12:1-3, 14:3-15].


Iets vergelijkbaars vinden we in Ezechiël 38-39. Daar lezen we dat, aan het einde van de wereldtijden, ‘Gog, de oppervorst van Mesech en Tubal, in het land Magog’, met zijn vele bondgenoten, bevel krijgt ‘om op te trekken tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël, die lange tijd verlaten zijn geweest (…) [Ezechiël 38:8, NBV/NB].


Gog betekent zoveel als ‘hoogste-klasse’ en hij staat aan het hoofd van de machten (de tien hoorns, de tien koningen), die met hem ten strijde trekken tegen Israël.


Als de immense legermacht onder leiding van Gog het Joodse land dreigt te overspoelen, zal geen enkele leider in Israël in staat zijn om het grote onheil dat dreigt af te wenden. Het volk zal dan ook bevend van angst ineenkrimpen.


Als alles verloren lijkt


Maar als alles verloren lijkt en het volk van geen mens nog enige redding heeft te verwachten, zal de HEER ingrijpen en het voor Zijn volk opnemen. Als een leeuw zal Hij de heidenvolken, die klaarstaan om Zijn volk te verdelgen, opjagen, uiteendrijven en verscheuren [Nahum 1:12-13].


Joël 4:16De HEER brult vanaf de Sion, Hij gromt vanuit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven. Maar voor Zijn volk is de HEER een toevlucht, Israël biedt Hij bescherming.


Ongekend schouwspel


Als we ons proberen voor te stellen hoe het er op die laatste dag van de wereldtijden aan toe zal gaan, dan kunnen we alleen maar stil worden van ontzag voor de almachtige God én ons gelukkig prijzen dat we, dankzij Jeshua, bij Hem mogen schuilen [Psalm 2:12; Joël 3:5].


Gedurende die grote benauwenis zullen Gods ogen trouwens voortdurend waken over Zijn volk [Zacharia 12:4]. Geen ogenblik zal Hij iemand van hen uit het oog verliezen.


Om de aandacht van de volken te richten op het podium waarop het ongekende schouwspel zich zal afspelen, zal God de lichten aan het firmament doven. De zon, de maan en de sterren zullen geen licht meer geven [Jesaja 13:10].


En wanneer de aarde bedekt is door een angstaanjagende diepe duisternis en alle naties in donkerte zijn gehuld, zal het echte eindspel beginnen. Dan zullen de hemelen wankelen en de aarde zal bevend van haar plaats raken [Jesaja 13:13]. De wereld zal worden geteisterd door zware aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, kolkende watermassa’s, razende stormen, slagregens en hagelstenen, bliksemschichten en donderslagen en afschrikwekkend krijgsgeschreeuw [Joël 3:3-4; Lucas 21:25; Openbaring 16:18]. Machtige bergen zullen wegzinken, rotswanden neerstorten en statige muren in puin vallen [Ezechiël 38:20].


Het tumult op aarde zal de mensen onmachtig maken van angst [Lucas 21:26]. Ze zullen rondlopen als blinden en proberen weg te kruipen voor het onstuitbare natuurgeweld. Ze zullen de bergen en rotsen smeken op hen neer te vallen, zodat ze zullen ontkomen aan het oordeel dat over de wereld komt [Openbaring 6:15-17].


Ook onder de vijandige legers zal de HEER zo’n paniek laten uitbreken dat ze onderling slaags raken [Zacharia 14:13; Ezechiël 38:21]. De Heer zal zwavel en vuur op hen doen neerkomen [Ezechiël 38:22] en hen treffen met een afgrijselijke plaag: terwijl ze nog levend rondlopen, zal Hij hun vlees laten wegteren van hun botten, hun ogen laten wegrotten in hun kassen en hun tong laten wegrotten in hun mond [Zacharia 14:12].


Mensenzoon


Tegelijkertijd zal wereldwijd, van oost tot west en van noord tot zuid, het doordringende geluid van de sjofar klinken [Jesaja 18:3; Openbaring 11:15] en zal boven het land van Israël de hemelse luister van de HEER zichtbaar worden [Jesaja 60:2].


Want daar verschijnt in de lucht, op de wolken des hemels, de Mensenzoon, bekleed met macht en grote luister, gevolgd door een schare engelen die niemand tellen kan [Mattheüs 24:27-31; Habakuk 3:4].


Olijfberg


Terwijl alle ogen op Hem gericht zijn, zal Hij Zijn voeten planten op de Olijfberg [Zacharia 14:4], ten noorden van Jeruzalem, vanwaar Hij eerder naar de Vader ten hemel was gevaren. Zijn aanraking zal een zware aardbeving veroorzaken, waardoor de berg in tweeën splijt, van boven naar beneden – zoals destijds het voorhangsel in de Tempel [Mattheüs 27:51] – en van oost naar west. De beide helften zullen van elkaar af bewegen, de ene naar het noorden en de andere naar het zuiden, waardoor een enorm dal zal ontstaan, dat zal reiken tot aan Asel, een locatie ten zuiden van Jeruzalem. (Asel betekent veelzeggend ‘God-heeft-voorbehouden’).


Het decor van de oordeelsdag, de laatste dag van de wereldtijden, is zo indrukwekkend dat het ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Het zal het meest spectaculaire schouwspel zijn dat ooit door mensenogen is gezien.


En terwijl het volk het belegerde Jeruzalem ontvlucht en zijn toevlucht zoekt in het enorme dal dat is ontstaan, trekt hun Koning voor hen ten strijde tegen de vijandelijke legers die hen willen aanvallen.


Zoals God destijds de Rode Zee deed splijten en een doorgang maakte voor Zijn volk op de vlucht voor het leger van de Egyptenaren, zo zal God de Olijfberg splijten om een schuilplaats te maken voor de Jeruzalemmers op de vlucht voor de vijandige legers.


Ook Juda wordt gered


Terwijl de Jeruzalemmers het dal in vluchten om een veilig onderkomen te zoeken, zal de HEER ook waken over het volk van Juda. Hij zal het op miraculeuze wijze de overwinning schenken op zijn vijanden. En dát zal de Judeeërs doen beseffen dat de HEER, de Machtige van Jacob, ook hún redder en beschermer is [Jesaja 60:16].


Zacharia 12:5Onze kracht ligt bij de inwoners van Jeruzalem, dankzij de HEER van de hemelse machten, hun God.


Zo nederig als Jeshua was bij Zijn eerste komst naar de wereld, zo indrukwekkend zal Zijn verschijning zijn bij Zijn tweede komst [Jesaja 52:13-15].


Vergelding


Op tientallen plaatsen in de Bijbel kunnen we lezen hoe het er bij de eindstrijd op de laatste dag aan toe gaat en hoe verpletterend de vijand wordt verslagen [Joël 4:1-3; Ezechiël 39:4; Zacharia 12:9, 14:12; Jesaja 63:3-6; Maleachi 3:21].


Habakuk 3:12-13 [NBV/EV]Grimmig schrijdt U voort over de aarde, heidenvolken vertrapt U in toorn. Om Uw eigen volk te redden trekt U uit, U komt tot redding van het volk dat U gezalfd hebt (…).


Dergelijke teksten in de Bijbel worden meestal overgeslagen, omdat het niet past in het beeld dat velen van God hebben gemaakt. Ten onrechte. Want juist door de onrechtplegers te vergelden voor hun misdaden, doet God recht aan degenen die daardoor onrecht is aangedaan [Psalm 58:11-12; Openbaring 18:20].


Met het voltrekken van het vonnis over de heidenvolken, die in een allerlaatste, maar vergeefse poging proberen Zijn volk uit te roeien, doet God recht aan Zijn volk. Niet alleen aan de rest die van het volk is overgebleven, maar ook aan de miljoenen die de eeuwen door zijn veracht, vervolgd en vermoord omdat ze tot Zijn volk behoorden.


Mededogen en inkeer


Als het volk gaat beseffen dat het grote gevaar is geweken, dat de machtige vijand, die onoverwinnelijk leek, is weggevaagd, zal God over allen, jong en oud, rijk en arm, seculier en orthodox, Zijn Geest uitgieten [Joël 3:1] en zal heel het volk vol ontzag en in aanbidding neerbuigen voor de HEER, hun God.


Maar ze zullen ook sprakeloos opzien naar hun Messías, hun hemelse Redder, wiens aanblik hen zal verwarren, maar tegelijk verwarmen.


Het zal het langverwachte moment zijn dat de Vader de verharding wegneemt, die Hij op een deel van Zijn volk had gelegd, waardoor ze hun Messías niet konden herkennen [Romeinen 11:25].


Het zal het langverwachte moment zijn dat de Zoon zich aan het volk bekend zal maken, zoals eertijds Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte [Genesis 45:4-5]: ‘Ik ben het, Jeshua! Kom toch dichterbij. Ik ben Jeshua, jullie broer, die jullie hebben afgewezen en hebben laten kruisigen. Maar wees niet bang en maak jezelf geen verwijten, want Mijn Vader in de hemel had daarmee een plan om jullie leven te redden, en dat van alle mensenkinderen.’


Als ze beginnen te beseffen dat Hij, Jeshua, het was die om hun zonden werd doorboord, om hun wandaden werd gebroken en voor hun welzijn werd getuchtigd [Jesaja 53:5], zullen ze Hem vol mededogen en schuldbesef aanzien. Tranen zullen rijkelijk vloeien [Zacharia 12:10]. En vol compassie zal Jeshua hen opnieuw bij zich roepen en zullen hun tranen veranderen in vreugdetranen, om wat God, de Vader, door Zijn Zoon, voor hen heeft gedaan.


Aliyah


Toch is het feest dan nog niet compleet, want terwijl de sjofar nog immer klinkt, worden uit de vier windstreken miljoenen Joodse mannen, vrouwen en kinderen bijeengebracht door de engelen, die Jeshua had uitgezonden. Ze mogen het bruiloftsfeest mee te vieren [Mattheüs 24:31]. Het zal de grootste en meest spectaculaire aliyah ooit zijn.


Opstanding


Maar dan gebeurt er nog iets dat ieders verbeelding tart. Want op Jeshua’s bevel zullen ontelbare ontslapenen uit de dood opstaan. Zodra ze Zijn stem horen, komen ze tot leven [Johannes 5:25; 1 Korintiërs 15:22-23]. Ook zij mogen het feest meevieren, zoals Jeshua bij Zijn eerste komst had beloofd [Jesaja 26:19; Psalm 22:30].


Johannes 6:39-40Dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft: dat Ik niemand van wie Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat Ik hen allen laat opstaan op de laatste dag. Dit wil Mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat Ik hen op de laatste dag laat opstaan.


Ommekeer


De onvoorstelbare ommekeer op de laatste dag van de wereldtijden zal elk schepsel met ontzag voor de HEER vervullen. Ook de hemel en aarde zullen jubelen en juichen, terwijl de zee zal bruisen als nooit te voren [Psalm 96:11].


Jeruzalem zal de hoofdstad zijn van het Koninkrijk van God, het zal hét centrum zijn van de wereld en vandaar zal Gods onderricht klinken en Zijn wet uitgaan [Jesaja 2:3]. Alle volken op aarde – niet één uitgezonderd – zullen het Joodse volk, dat ze de eeuwen door hebben veracht, met eer en roem overladen [Sefanja 3:19-20].


Israël zal eindelijk tot zijn bestemming komen, zoals de Vader die voor ogen stond toen Hij het volk formeerde [Jesaja 60:21].


En wat Jesaja eeuwen geleden over die tijd mocht profeteren, zal dan werkelijkheid zijn geworden.


Jesaja 9:1-4 [EV] Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen. U hebt het volk weer groot gemaakt, diepe vreugde geeft U het, blijdschap als de vreugde bij de oogst, zij jubelen als bij het verdelen van de buit. Het juk dat op hen drukte, de stok op hun schouder, de staf van de drijver, U hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds. Iedere laars die dreunend stampte en elke mantel met bloed doordrenkt wordt verbrand, valt ten prooi aan het vuur.


Uitzien


De wederkomst van Jeshua is nabij en zal niet vele decennia meer duren. Misschien duurt het nog 5 of 10 of 15 jaar – we weten het niet – maar wat is dat op de 120 Jubeljaren die God de mens in het vooruitzicht had gesteld?


Eén ding is zeker: zolang Jeshua nog niet terug is op aarde, mogen we elke dag met groot verlangen uitzien naar die laatste dag van de wereldtijden, de dag waarop de Vader door Zijn Zoon recht zal doen aan Zijn volk en aan allen die naar Hem uitzien en daarmee Zijn wederkomst bespoedigen [2 Petrus 3:12].


Mattheüs 6:11Vader, laat Uw Koninkrijk komen!


Habakuk 3:2Breng het in deze tijd tot stand, maak het in deze tijd bekend, maar toon Uw mededogen als het tumult losbarst.



Spreekbeurt van Bas van Twist op de Wachtersdag, gehouden op 2 april 2022

3.333 weergaven1 opmerking