“MIJN TWEE GETUIGEN”

Bijgewerkt op: 25 dec 2020



In Openbaring 11:3-12 lezen we over twee getuigen die van God opdracht hebben gekregen om te profeteren. Het is voor de meesten van ons geen onbekend, maar wel een moeilijk gedeelte. Velen hebben dit gedeelte dan ook bestudeerd en geprobeerd om te achterhalen hoe dit visioen begrepen moet worden. Ook ik schaar me onder die velen. Hoewel mijn inzichten hierover nogal afwijken van de gangbare opvattingen, durf ik het toch aan om daarover deze weblog te schrijven – in alle nederigheid en vrijmoedigheid – tot eer van de Vader.


Even voor we over de twee getuigen lezen, krijgt Johannes zelf opdracht om te profeteren “over talrijke landen en volken en koningen(Openbaring 10:11). En daarbij krijgt hij de opdracht om de Tempel te meten en degenen die daar God aanbidden te tellen.


Zo’n vijf eeuwen daarvoor had Ezechiël in een visioen gezien hoe de Tempel aan alle kanten werd opgemeten en hoe de “de luisterrijke verschijning van de HEER” weer terugkeerde in de Tempel (Ezechiël 43:1-4). Ezechiël moest, wat hij had gezien, aan de Israëlieten in ballingschap vertellen (Ezechiël 40:4).


Ook Johannes lijkt deze boodschap bekend te moeten maken. Maar anders dan Ezechiël, krijgt Johannes te horen dat de voorhof eerst nog 42 maanden aan de heidenen zal worden gegeven. In één van zijn visioenen werd ook aan Daniël iets dergelijks voorzegd (Daniël 9:27). Nog meer specifiek, profeteerde Jeshua hierover, toen de discipelen wezen op het prachtige Tempelgebouw:


Lucas 21:6 – ‘Wat jullie hier zien – er zullen dagen komen waarop geen steen op de andere zal blijven; alles zal worden afgebroken.’


Representanten


Johannes moet dus profeteren waarvan Jeshua en Israëls profeten vóór Hem al profeteerden. En dan, als een soort bevestiging van de opdracht die Johannes krijgt, lezen we ineens over de twee getuigen. Zij spelen onmiskenbaar een cruciale rol in Gods heilsplan. Want ze belichamen de twee olijfbomen en de twee menora’s die staan voor de Heer van de wereld, zo wordt vermeld.


Uit het vijfde visioen van Zacharia weten we dat de twee olijfbomen staan voor “de twee gezalfden, die naast de Heer van de hele aarde staan(Zacharia 4:11-14). Een juiste vertaling is ook “de twee gezalfde zonen, die de Heer van de hele aarde representeren.”


Veruit de meeste Bijbeluitleggers menen dat de twee getuigen zullen optreden in de laatste drieënhalf jaar (1.260 dagen), voorafgaande aan de wederkomst van Jeshua. Maar de teksten uit Ezechiël, Zacharia en Openbaring geven mij veel meer aanleiding te veronderstellen dat het om getuigen of gezalfden gaat die Hem continu representeren en niet alleen kort vóór de wederkomst.


Wie zijn die twee gezalfden die de Eeuwige op aarde vertegenwoordigen? Wie zíjn die twee door God uitverkoren zonen?


Dikwijls wordt gedacht aan Mozes en Elia, omdat de wondertekenen die de getuigen doen, lijken op machtige daden die God door Mozes en Elia deed. Maar ook omdat Mozes en Elia aan Jeshua verschijnen op de berg der verheerlijking (Mattheüs 17:1-8).


Anderen menen dat het om Henoch en Elia gaat, omdat zij beiden, zonder te sterven, door God in de hemel zijn opgenomen (Genesis 5:24; 2 Koningen 2:11) en een mens maar één keer kan sterven (Hebreeën 9:27).


Er is voor beide opties veel te zeggen, maar als het om getuigen gaat die constant, in elk geval langer dan een mensenleven, de Heer van de wereld representeren, dan vallen deze grote profeten af.


Israël en Jeshua


Zou God, als Hij spreekt over Zijn twee getuigen, daarom niet doelen op Israël, Zijn eerstgeboren zoon (Exodus 4:22), en Jeshua, Zijn eniggeboren Zoon (Mattheüs 3:17)? God zegt immers zelf tegen Zijn volk: “Jullie zijn Mijn getuige(Jesaja 43:10, 12). En van Jeshua wordt gezegd dat Hij de “betrouwbare getuige” is (Openbaring 1:5, 3:14; Jesaja 55:4).


Zowel Israël als Jeshua getuigen van Gods majesteit, en daarom noemt de Vader hen ook beiden “Mijn dienaar(Jesaja 49:3, 49:6).


Zowel in en door Israël als in en door Jeshua manifesteert de God van Abraham, Izaäk en Jacob zich aan de wereld. In beiden toont Hij Zijn grootheid (Jesaja 49:3; Johannes 17:4).


Beiden hebben ook messiaans geleden (Psalm 44:21-23; 1 Petrus 2:24), en beiden stonden op “de derde dag” uit de dood op (Hosea 6:2; Mattheüs 20:19).


Boetekleed


Dat beide getuigen gekleed gaan in een boetekleed wil zeggen dat ze oproepen tot inkeer en verzoening. Tot inkeer, opdat God aan zonden voorbijgaat en wil dat elk mens de waarheid leert kennen en Zijn komende Koninkrijk binnengaat. Tot verzoening, omdat Hij wil dat elk mens blijft leven en niet ten val komt en sterft (Ezechiël 18:23-32; Mattheüs 4:17, 11:21; Lucas 15:10, 24:47-48; Handelingen 11:18; 1 Timotheüs 2:4; 2 Petrus 3:9).


Dat God de mensen op aarde aanklaagt op grond van het optreden van twee getuigen, is conform Zijn Thora: “een aanklacht krijgt pas rechtsgeldigheid op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen(Deuteronomium 19:15; Mattheüs 18:16).


Oordeel


De twee getuigen hebben de macht om de hemel te sluiten, opdat er geen regen zal vallen, om water in bloed te veranderen en de aarde te treffen met alle mogelijke plagen. Het is het oordeel dat volgt wanneer de mens zich tegen God en Zijn gezalfde blijft verzetten (Psalm 2:2).


Elia en Mozes, twee gezichtsbepalende leiders van Israël, hadden van God die macht gekregen (1 Koningen 17:1; Exodus 7:19). Jeremia kreeg van God zelfs het gezag “over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten(Jeremia 1:10). Maar ook de andere profeten kregen groot gezag (Jesaja 13:19, 23:1, 24; Ezechiël 30:3; Obadja 1:2; Nahum 3:7).


En Jeshua getuigt ervan dat de Vader Hem zelfs álle macht heeft gegeven, zowel in de hemel als op de aarde (Mattheüs 28:18).


Samenhangende perioden


De periode van 1.260 dagen die de twee getuigen profeteren, betreft een bepaalde fase in Gods heilsplan, zoals we vaker tegenkomen in Openbaring, maar ook in het Bijbelboek Daniël. Zo lazen we hiervoor dat gedurende 42 maanden de voorhof buiten de Tempel door de heidenen zal worden vertrapt (Openbaring 11:1-2). Maar even verderop lezen we in Openbaring 13:5-7 dat “het beest” – de aardse vertegenwoordiger van Satan – gedurende 42 maanden macht zal krijgen over alle landen en volken en “de heiligen” – Gods volk – zal overwinnen.


Daarnaast lezen we dat gedurende 1.260 dagen en voor “een tijd en twee tijden en een halve tijd” de vrouw – opnieuw een beeld van Israël – in de woestijn (der volkeren) zal leven, waar voor haar gezorgd zal worden (Openbaring 12:6, 12:14; Ezechiël 20:35).


Verder lezen we dat “de heiligen van de hoogste God” gedurende “één tijd, een dubbele tijd en een halve tijd” aan de heerschappij van andere volkeren zullen zijn overgeleverd (Daniël 7:23-27). Het Hebreeuwse woord id-dan dat hier vertaald is met ‘tijd’, kan ook de betekenis hebben van ‘jaar’.


Voorts lezen we dat de aardse vertegenwoordiger van Satan gedurende “de helft van de week” – het Hebreeuwse woord sheva, dat met ‘week’ vertaald wordt, ziet letterlijk op een ‘zevental’ – zal beletten dat er offers in de Tempel worden gebracht. Hij weet zelfs op een gedeelte van het oorspronkelijke tempelcomplex een aanstootgevend bouwsel op te richten, zo vertelt de engel Gabriël aan Daniël (Daniël 9:27).


Uitgaande van de jaarkalender die in Bijbelse tijden werd gebruikt, bestaande uit twaalf maanden van dertig dagen, is er onmiskenbaar een verband tussen de perioden van 42 maanden, 1.260 dagen, “een tijd en twee tijden en een halve tijd” en de helft van een week, want (1 + 2 + ½) drieënhalf jaar is immers gelijk aan (3½ x 12) 42 maanden en (12 x 360) 1.260 dagen.


Hoewel deze perioden niet zien op een letterlijke periode van zoveel kalenderjaren, -maanden of -dagen, maar een door God vastgestelde fase in Zijn heilsplan uitdrukken, bevestigt hun correlatie wel op verrassende wijze de volkomen eenheid van Gods Woord.


Getuigen is profeteren


De periode van 1.260 dagen die de twee getuigen profeteren ziet volgens mij enerzijds op de tijd dat de HEER door Zijn eerstgeboren zoon, Israël, Zijn majesteit bekend maakt aan de andere volken door grote wonderen en tekenen en door Zijn krachtige arm (Exodus 15:16; Psalm 149:6; Openbaring 19:10), en anderzijds op de tijd dat de Vader Zijn liefdevolle grootheid toont door Zijn eniggeboren Zoon, Jeshua, te geven tot redding van een verloren wereld, van welk wonder Israëls profeten meermaals getuigden (Psalm 40:8-9; Jesaja 49:6, 53:5-10; Johannes 3:16, 5:39, 12:27-28; Handelingen 10:43; 1 Timotheüs 2:4-6).


Is het overigens niet opmerkelijk dat, gezien de hiervoor genoemde parallellen tussen de perioden van 1.260 dagen en 42 maanden, Mattheüs er in het overzicht van Jeshua’s afkomst op wijst dat de periode tussen Abraham en Jeshua (3 x 14) 42 generaties telt (Mattheüs 1:17)?


De periode van 1.260 dagen die de twee getuigen profeteren loopt voorts ook parallel aan de andere helft van de week (zevental), waarop in Daniël 9:27 wordt gedoeld. Over dit visioen van Daniël zou ik het graag een andere keer willen hebben.


Satans schijnbare overwinning


Als de twee getuigen hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest uit de onderaardse diepte – een beeld van de machten die aan Satan dienstbaar zijn – hen overwinnen en doden. En zo gebeurt het. Maar níet zonder de wil van de Vader!


Op 14 nisan 3793 (1 april 33) wordt Jeshua weggenomen door een onrechtvaardig vonnis, wordt Hij verbannen uit het land der levenden, terwijl Hij nooit enig onrecht heeft begaan, n