• Bas van Twist

WIE MIJ GEZIEN HEEFT, HEEFT DE VADER GEZIEN

Eens is Mozes de schapen en geiten van zijn schoonvader Rehuel (Jethro) aan het weiden. Als hij met de kudde de berg Sinaï (Horeb) nadert, ziet hij een wonderlijk verschijnsel.

Exodus 3:2-6 (NBG/NBV) Daar verscheen hem de ​Engel​ van de HEER als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd. Mozes​ nu dacht: Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt? Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep Hij hem vanuit de struik: "Mozes! Mozes!" "Ik luister," antwoordde Mozes. "Kom niet dichterbij," waarschuwde de HEER, "en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Izaak en de God van Jacob." Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.

Is het niet opmerkelijk dat het de Engel van de HEER is die "als een vuurvlam midden uit een braamstruik" aan Mozes verschijnt, maar dat het de HEER is die zich aan Mozes voorstelt als "de God van je vader, de God van Abraham, de God van Izaak en de God van Jacob" en die hem gebiedt zijn sandalen uit te trekken? Is de Engel van de HEER dan de HEER zelf?

Niet veel later heeft Mozes tot tweemaal toe weer een ontmoeting met de HEER, maar dan niet onderaan de berg Sinaï, maar bovenop de berg. Tot tweemaal toe verblijft hij daar veertig dagen en veertig nachten bij de HEER.

Exodus 34:5De HEER daalde neer in een wolk, Hij kwam naast Mozes staan en riep de naam HEER uit.

Voor het volk, dat op eerbiedige afstand van de berg toekijkt, is de wolk van Gods majesteit zichtbaar als "een laaiend vuur" (Exodus 24:17).

Als Mozes de tweede keer de berg afdaalt, heeft hij de stenen platen bij zich, waarop de HEER zelf (Exodus 34:1) de tekst van het verbond heeft geschreven. Mozes weet niet "dat zijn gezicht glanst doordat hij met de HEER heeft gesproken" (Exodus 34:29; 2 Korintiërs 3:7). Als de Israëlieten de stralende glans op Mozes' gezicht zien, durven ze niet bij hem in de buurt te komen. Pas als hij hen roept, komen ze aarzelend naderbij en kan Mozes hen opdragen zich te houden aan alles wat God hem heeft gezegd. Als Mozes klaar is met het volk toe te spreken, bedekt hij zijn gezicht met een doek.

Exodus 34:34-35Steeds wanneer Mozes voor de HEER verscheen om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten kwam. Als Mozes de Israëlieten dan zei wat hem opgedragen was, zagen zij hoe zijn gezicht glansde. Daarna bedekte hij zijn gezicht met de doek, totdat hij opnieuw met de HEER ging spreken.

Evenals Mozes heeft ook Elia een bijzondere ontmoeting met de HEER op de Sinaï, de berg van God.

1 Koningen 19:11-13 – 'Kom naar buiten,' zei de HEER, 'en treed hier op de berg voor Mij aan.' En daar kwam de HEER voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor de HEER uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar de HEER bevond zich niet in die windvlaag. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar de HEER bevond zich niet in die aardbeving. Na de aardbeving was er vuur, maar de HEER bevond zich niet in dat vuur. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries. Toen Elia dát hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot staan, en daar klonk een stem die tot hem sprak: 'Elia, wat doe je hier?'

Op de één of andere manier weet Elia dat de HEER zich níet bevindt in de windvlaag die bergen en rotsen splijt, níet in de aardbeving die alles wegvaagt en níet in het vuur dat alles verteert. Dat is slechts het natuurgeweld dat vóór de HEER uitgaat (Psalm 50:3; Jesaja 30:28). Nee, de HEER bevindt zich in "het gefluister van een zachte bries". En als Elia dát hoort, slaat hij, net als Mozes bij de braamstruik, direct zijn mantel voor zijn gezicht, omdat hij niet naar God durft te kijken.

De HEER van de hemelse machten maakt zich aan Mozes en Elia bekend in vlammen die niets verzengen, in een alles omhullende wolk die oogt als een laaiend vuur en in het gefluister van een zachte windvlaag. God, de Ontzagwekkende, laat Mozes en Elia een glimp zien van Zijn Wezen, van wie en wat Hij is. Maar zou God anders kunnen, wanneer Hij zich tot een mensenkind richt?

Als Mozes – met wie de HEER sprak "zoals iemand spreekt met zijn vriend" (Exodus 33:11, NBG) – eens vraagt of hij Gods glorie mag zien, antwoordt de HEER:

Exodus 33:19-20 (NBV/EV) – 'Ik zal in al Mijn goedheid voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen: Ik schenk ​genade​ aan wie Ik ​genade​ wil schenken, en Ik ben ​barmhartig​ voor wie Ik ​barmhartig​ wil zijn. Maar,' zei Hij, 'Mijn Wezen zul je niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.'

In het Nieuwe Verbond lezen we over nog een bijzondere ontmoeting: één tussen Mozes en Elia en Jeshua.


Mattheüs 17:1-3Zes dagen later nam Jeshua Petrus, Jacobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht. Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jeshua in gesprek waren.

Petrus, Jacobus en Johannes krijgen hier iets te zien van Jeshua's majesteit, van Zijn glorie, zoals die straks voor iedereen zichtbaar zal worden, wanneer Hij op de wolken des hemels, bekleed met macht en grote luister, zal komen om Gods Koninkrijk te grondvesten (Mattheüs 16:28, 24:30). En daar zijn Mozes, als vertegenwoordiger van de Wet, en Elia, als representant van de profeten, bij. Nu al verschijnen zij met Jeshua in hemelse luister, als een voorafschaduwing van het komende Koninkrijk van God, waarin ook wij straks zullen stralen als de zon (Mattheüs 13:43).

De drie mannen staan met elkaar te praten. Ze spreken over het levenseinde van Jeshua dat Hij enkele dagen later in Jeruzalem zou gaan volbrengen (Lucas 9:31). Het lijkt erop dat de drie mannen elkaar heel goed kennen.

Maar zou dat ook niet het geval kunnen zijn? Het is zomaar een gedachte die bij me opkomt. Stel nu eens dat de Zoon Mozes en Elia al eens eerder had ontmoet? Wat een nóg diepere betekenis krijgen dan de woorden van Jeshua: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien" (Johannes 14:9)? Want dan zou deze getuigenis ook kunnen zien op nog andere ontmoetingen waarover we in het Oude Testament lezen, zoals die tussen Gideon en de Engel bij de terebint van Ofra (Rechters 6:11-24), of die van Daniël met de hemelse Man aan de oever van de Tigris (Daniël 10:4-9; Openbaring 1:12-15), en misschien zelfs op de confrontatie tussen Jacob en de Engel. Jacob zegt daarover immers zelf: "ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven" (Genesis 32:24-30; Hosea 12:4-5).

Dat de Zoon al bestond vóór Zijn geboorte, vóór Hij zich als Messías Jeshua openbaarde, mogen we onder meer afleiden uit Jeshua's eigen woorden, zoals tijdens een twistgesprek met de farizeeën:

Johannes 8:58 'Waarachtig, Ik verzeker u,' antwoordde ​Jeshua, 'van voordat ​Abraham​ er was, ben Ik er.'

Of uit Zijn indrukwekkende gebed aan de laatste seidermaaltijd:

Johannes 17:5'Vader, verhef Mij nu tot Uw majesteit, tot de grootheid die Ik bij U had voordat de wereld bestond.'

Dat de Zoon er al was vóór Zijn geboorte volgt ook uit de woorden die de Vader zelf tot Hem spreekt:

Psalm 2:7Het besluit van de HEER wil Ik bekendmaken. Hij sprak tot Mij: ‘Jij bent Mijn Zoon, Ik heb Je vandaag verwekt.’

Woorden die een millennium later tot tweemaal toe door de Vader worden bevestigd. Eerst bij Jeshua's doop:

Mattheüs 3:17En uit de hemel klonk een stem: 'Dit is Mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.'

En daarna nog eens op de berg, wanneer Petrus, Jacobus en Johannes Jeshua in gesprek zien met Mozes en Elia:

Mattheüs 17:5(…) de schaduw van een stralende wolk gleed over hen heen, en uit de wolk klonk een stem: 'Dit is Mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!'

Zou Gods Zoon, de "eerstgeborene van heel de schepping" (Kolossenzen 1:15), die wij kennen als Messías Jeshua, dan echt al aan mensen zijn verschenen vóór Zijn geboorte?

Misschien geeft Jeshua zelf wel het antwoord op die vraag wanneer Hij in een verhit debat verwikkeld is met de farizeeën. Als Jeshua hen op enig moment verzekert dat wie Zijn woord bewaart de dood nooit zal zien en zij Hem schamper vragen: "Bent u soms meer dan onze vader ​Abraham, die gestorven is?", antwoordt Jeshua heel verrassend:

Johannes 8:56'Abraham, uw vader, verheugde zich op Mijn komst, en toen hij die meemaakte was hij blij.'

Maar wanneer was dat dan? Wanneer verheugde Abraham zich over Zijn komst en was hij blij toen hij die meemaakte?


Zou Jeshua hiermee soms doelen op de bijzondere ontmoeting die Abraham had bij de eiken van Mamre, toen de HEER hem beloofde dat Hij over precies een jaar bij hem zou terugkomen en dat Sara dan een zoon zou hebben (Genesis 18:14)?


Dat zou wel eens heel goed kunnen, want reken maar dat Abraham vol vreugde uitzag naar de wederkomst van de HEER, naar de vervulling van de belofte. Reken maar dat hij blij was toen hij, precies een jaar later, de HEER kon vertellen over de geboorte van Izaak!

Bas van Twist, april 2020

0 keer bekeken

© 2019 by Wachters.nu |  Voorwaarden  |   Privacyverklaring