AAN DE VOORAVOND

Bijgewerkt op: jun 25


De wereld die was


Uit de Bijbel kunnen we opmaken dat er vóór de schepping van onze (zichtbare) wereld, al een (onzienlijke) geestelijke wereld bestond. In de Hebreeuwse denkwereld wordt deze tijd olam sje'avar, ‘de wereld die was’, genoemd.


Het klinkt sommigen misschien vreemd in de oren, maar onze ziel was er al voordat de wereld bestond [2 Timoteüs 1:9; Titus 1:2]. Er was een plaats in de hemel waar onze ziel, toen we nog niet geboren waren, woonde bij God, bij de Zoon en bij de engelen. Onze ziel bleef daar tot het moment dat wij verwekt werden.


Naar die tijd verwijst Jeshua meermaals, onder meer in Zijn aangrijpende gebed vlak voor Zijn gevangenneming [Johannes 17:5, 24; Voordat de wereld bestond]. En ook Petrus verwijst daarnaar in zijn eerste brief aan zijn Joodse medegelovigen in de verstrooiing [1 Petrus 1:20]. Door de heilige Geest geïnspireerd, weet Paulus ons zelfs te vertellen dat de Vader ons toen al had uitgekozen om door Jeshua Zijn kinderen te worden [Jeremia 1:5]. Dus voordat de wereld bestond en dus al ver vóór onze geboorte, had de Vader al een plan met ons.


Efeziërs 1:4-6 [NBV/EV] In de Messias immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor Hem heilig en zuiver te zijn en Hij heeft ons naar Zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jeshua, de Messías, Zijn kinderen te worden, tot eer van de grootheid van Gods genade, ons geschonken in Zijn geliefde Zoon.



Opstand in de hemel


Maar toen kwam er een opstand in de hemel. Satan wilde zich gelijkstellen aan de Allerhoogste. Als straf verbande God hem en zijn engelen uit de hemel. Op meerdere plaatsen kunnen we daarover lezen in de Bijbel [Jesaja 14:12-15; Ezechiël 28:11-19; Lucas 10:18; 2 Petrus 2:4; Judas 1:6; Openbaring 12:9]. Door de opstand van satan en zijn engelen werd Gods orde verstoord. Er kwam in de onzienlijke wereld een scheiding tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad, tussen orde en chaos, tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid.


We weten het niet, maar misschien was de verstoring van Gods ordening in de onzienlijke wereld wel de aanleiding voor Hem om onze zichtbare wereld met zijn dimensies in ruimte en tijd te scheppen, om daarmee zichtbaar te maken wanneer de orde in Zijn wereld weer hersteld en volmaakt zou worden. De Schepper van hemel en aarde is immers een God van orde. Chaos ontstaat pas wanneer Hij Zich uit Zijn schepping terugtrekt [Jesaja 45:18].


Opstand op de aarde


Maar niet alleen satan en zijn engelen, ook de mens op aarde kwam in opstand tegen zijn Schepper, met alle consequenties van dien.


Genesis 6:5-7 – De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. Hij kreeg er spijt van dat Hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst. Ik zal de mensen die Ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht Hij, en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want Ik heb er spijt van dat Ik ze heb gemaakt.


En God liet een grote vloed over de aarde komen waarmee alles onder de hemel waarin levensadem was, werd vernietigd. Alleen Noach, zijn vrouw, zijn zonen en hun vrouwen, vonden genade bij God. Met hen en alle dieren die in de ark mee mochten om aan het water te ontkomen, maakte God een nieuw begin. De schoongewassen aarde moest weer vol worden met mensen en dieren. En God beloofde hen dat Hij de aarde nooit meer zou vervloeken ‘vanwege de mens, hoewel ‘alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan (…) slecht’ is [Genesis 8:21].


Gods reddingsplan


Toch is de maat een keer vol voor God. Hij wil niet altijd boos blijven, want anders zou elke ziel die God ooit heeft geschapen bezwijken en dat wil Hij niet, want Hij heeft juist elke ziel levensadem gegeven om als mens te leven.


Jesaja 57:15-16 – Dit zegt Hij die hoog is en verheven, die troont in eeuwigheid – heilig is Zijn Naam: In hoogheid en heiligheid zal Ik tronen met hen die verslagen en onaanzienlijk zijn, opdat de onaanzienlijke geest herleeft, opdat het verslagen hart tot leven komt. Want niet eindeloos blijf Ik twisten, niet eeuwig duurt Mijn toorn. Al doe Ik de levensadem stokken, Ik ben het ook die het leven geeft.


Omdat de mensen zich onverbeterlijk tegen God zouden blijven afzetten en daarmee een oordeel over zichzelf zouden afroepen, formeerde God via Abram, Izaäk en Jacob [Genesis 12:1-3, 17:19, 28:13-15] een uniek volk: Israël. Dit volk, ‘door Hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, Zijn kostbaar bezit te zijn[Deuteronomium 7:6], werd door God geroepen om Zijn luister te tonen en aan de heidenvolken het heil te brengen [Jesaja 49:3; Johannes 4:22].


Het Joodse volk werd Gods dienstknecht, uit wie de Redder voor alle volken zou voortkomen: Jeshua, Gods eigen Zoon [Jesaja 49:6; Handelingen 13:23; Johannes 3:16]. Bij Zijn eerste komst zou Hij de verstoorde relatie tussen de Vader en de mensenkinderen herstellen, zou Hij hen redden en de waarheid leren kennen. En Jeshua is gekomen en Hij heeft die taak volbracht [Jesaja 53; Handelingen 2:14-36].


En bij Zijn wederkomst zal Jeshua het Koninkrijk van Zijn Vader grondvesten en mogen we voor altijd met Hem leven [Johannes 6:40; Mattheüs 26:29; Zoon van de Allerhoogste]. Met groot verlangen mogen we daarnaar uitzien, zoals Jeshua ons dat leerde in het meest volmaakte gebed: ‘Laat Uw Koninkrijk komen[Mattheüs 6:10].


Ver weg of dichtbij?


Dat het aanbreken van Gods Koninkrijk nooit meer heel ver weg kan zijn, mogen we allereerst afleiden uit de vervulling in onze dagen van de tientallen beloften die gaan over het herstel van het land en volk van Israël. Als wachters mogen we de Vader daar elke dag aan herinneren. Zonder twijfel is de vervulling van deze beloften het belangrijkste bewijs dat de Vader onafgebroken bezig is met de voorbereidingen om Zijn Koninkrijk te grondvesten. En ook de vervulling van de voorzeggingen over de heidenvolken in onze dagen, bewijzen dat we aan het einde van de wereldtijden leven.


Maar op nog zoveel andere verschillende manieren geeft de Vader ons aanwijzingen in Zijn Woord over de weg die Hij gaat met Zijn volk, met deze wereld en met de mensen die daarop wonen en over de fase in de wereldtijden waarin wij nu leven [Romeinen 11:36]. We moeten er alleen oog voor krijgen. En dat kunnen we leren, als we ons laten leiden door Zijn heilige Geest. Mag ik wat voorbeelden geven?


Scheppingsweek


Voor de Eeuwig Levende ‘is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag[2 Petrus 3:8; Psalm 90:4]. Als we dat in gedachten houden en kijken naar de geschiedenis van de mensheid, dan zien we opvallende parallellen en terugkerende thema’s met de zes dagen waarin God de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooide en de zevende dag waarop Hij rustte van het werk dat Hij had gedaan.


Op de eerste dag werd het licht gescheiden van de duisternis [Genesis 1:3-5]; in het eerste millennium van de mensheid werd door de zondeval de mens gescheiden van het licht van zijn Schepper [Genesis 3:1-24].


Op de tweede dag scheidde God de watermassa’s door een gewelf, dat Hij hemel noemde [Genesis 1:6-8]; in het tweede millennium scheidde God goed en kwaad door de wateren boven en onder de hemel, de zondvloed [Genesis 7:1-24].


Op de derde dag werden planten die zaad vormen geschapen [Genesis 1:9-13]; in het derde millennium werd aan Abraham de belofte gedaan dat in hem, via zijn zaad, alle volken op aarde gezegend zouden worden [Genesis 12:1-3 SV].


Op de vierde dag schiep God de zon, de maan en de sterren om ‘als lampen aan het hemelgewelf’ te dienen en om licht te geven op de aarde [Genesis 1:15]; in het vierde millennium gaf God het profetisch woord als ‘een lamp die schijnt op een donkere plek [2 Petrus 1:19], gaf Hij Zijn Zoon als ‘het licht voor de wereld[Johannes 8:12].


Op de vijfde dag schiep God levende wezens voor in het water en boven de aarde [Genesis 1:20-23]; in het vijfde millennium werd de mens, dood voor de zonde, door Jeshua’s opstanding levend voor God [Johannes 17:2; 1 Petrus 2:24; 1 Korintiërs 15:35-49; 2 Korintiërs 5:17; 1 Johannes 5:11].


Op de zesde dag kreeg de mens de opdracht om de aarde te bevolken en onder zijn gezag te brengen [Genesis 1:24-31]; in het zesde millennium heeft de mens de aarde bevolkt en onderworpen.


Op de zevende dag, de sabbat, rustte God van al Zijn scheppingswerk en heiligde Hij die dag [Genesis 2:2-3]; in het zevende millennium zal de mens mogen rusten in het Koninkrijk van God [Openbaring 20:4].


Het is dus niet zo vreemd om te veronderstellen dat het herstel van het universum plaatsvindt ná zes Goddelijke dagen ofwel zesduizend aardse jaren. Zeker niet als we beseffen dat we, volgens de meeste chronologen die de Bijbel als een betrouwbare bron erkennen, leven aan het einde van het zesde of begin van het zevende millennium, te rekenen vanaf het moment dat de mens zijn jaren begon te tellen [Genesis 5:3].


Jubeljaar


Maar in de Bijbel is nog een tekst die erop lijkt te wijzen dat er na zes Goddelijke dagen, na zesduizend aardse jaren, een einde komt aan de wereldtijden.


Genesis 6:3 [NBV/EV] – Toen dacht de HEER: Mijn Geest mag niet voor altijd in de mens blijven rechtspreken, hij is immers niets dan vlees; zijn dagen zullen zijn honderdtwintig jaren.


Het woord שָׁנָה, (shannèh) dat hier vertaald wordt met ‘jaar’, ziet letterlijk op een indeling in de tijd en kan dus ook betrekking hebben op bijvoorbeeld een Sabbatsjaar [Leviticus 25:1-5] of een Jubeljaar [Leviticus 25:10-12].


Het Jubeljaar – waarover we lezen in Leviticus 25:8-17 – is een voorafbeelding van het door God aangekondigde herstel van Zijn schepping. Het Jubeljaar is een cyclus van vijftig jaar die zich steeds herhaalt. Het bestaat uit zeven sabbatsjaren (7 x 7 jaar = 49 jaar), gevolgd door het vijftigste jaar: het Jubeljaar. Het Jubeljaar is als het ware een één jaar lang durende sabbat voor het land. Tijdens het Jubeljaar krijgen het land en zijn bewoners rust, worden schulden kwijtgescholden en worden bezittingen teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar.


Anders dan meestal wordt gedacht, wordt in Genesis 6:3 volgens mij niet gedoeld op de maximale leeftijd van de mens – want ook ná de zondvloed werden de mensen nog steeds veel ouder dan honderdtwintig jaar –, maar gaat het om de levensduur van de mensheid op deze gebroken wereld. Die levensduur zal niet langer zijn dan 120 Jubeljaren. Met andere woorden: God wil de mens niet langer dan (120 x 50 jaar) zesduizend jaar ter verantwoording blijven roepen. Na zes Goddelijke dagen van zwoegen [Genesis 3:19], mag de door Gods Zoon geredde mens op de zevende dag eindelijk rusten, een millennium lang.


Handelingen 3:20-21– Dan zal de Heer een tijd van rust doen aanbreken en zal Hij de Messías zenden die Hij voor u bestemd heeft. Dat is Jeshua, die in de hemel moest worden opgenomen tot de tijd aanbreekt waarover God van oudsher bij monde van Zijn heilige profeten heeft gesproken en waarin alles zal worden hersteld.


Voorrecht


Zie het als een groot voorrecht om als wachter de Vader elke dag te herinneren aan Zijn beloften van herstel voor Sion, om Hem aan te moedigen alles in onze dagen tot stand te brengen [Jesaja 26:9, 62:6-7; Habakuk 3:2], om van de vervulling van Gods beloften een (oog)getuige te zijn, en om met groeiend verlangen uit te zien naar Jeshua’s wederkomst, wanneer alles vernieuwd zal worden [Mattheüs 19:28].