ALS HET TUMULT LOSBARST

Bijgewerkt op: 2 aug. 2021



Ernstige tijden


We kunnen moeilijk ontkennen dat we afstevenen op ernstige tijden. En dat is niet verwonderlijk, want vele voortekenen wijzen er op dat we leven in de allerlaatste dagen vóór de wederkomst van de Messías. En de Bijbel vergelijkt de verwikkelingen en gebeurtenissen die daaraan voorafgaan niet voor niets met barensweeën [Mattheüs 24:8; Jesaja-13:8].


Hoe vreemd sommigen dat misschien ook vinden, toch mogen we vol ontzag voor de HEER uitzien naar de vervulling van alles wat Hij voorzegd heeft over deze tijd. Niet omdat we blij worden van de rampen die over de wereld zullen komen, maar omdat onze verlossing nabij is en Hij recht zal doen. Vanuit dat perspectief mogen we kijken naar de dingen die gaan komen.


Dat wil overigens niet zeggen dat we nooit vragen hebben of in verwarring kunnen raken. Zeker wel. Maar gelukkig geeft de Vader ons elke dag, wanneer we daarom vragen, Zijn heilige Geest, om ons de wijsheid, het inzicht en de rust te geven in de mate die we nodig hebben.


God houdt de regie


Voor God is niets van wat er in onze dagen gebeurt een verrassing. Hij wist allang dat de mensen Hem ontrouw zouden worden en hoe ze alles, wat Hij zo volmaakt gemaakt had, kapot zouden maken. Daarom had Hij al bij de allereerste zonde van de mens beloofd in te grijpen, zodat de mens niet voorgoed verloren zou gaan. Daarvoor formeerde Hij een eenenzeventigste volk: Israël. Uit dát volk – uitgerekend het kleinste van alle volken op aarde [Deuteronomium 7:7] – zou Hij Iemand voortbrengen die de mensheid zou redden: Zijn eigen Zoon [1 Johannes 4:14].


En de Vader heeft Zijn Zoon gezonden: Jeshua. Hij heeft, zoals de profeten lang vóór Zijn komst naar de wereld al hadden voorzegd, de schuld​ van Zijn volk en die van de hele wereld op zich genomen en daarvoor met Zijn leven betaald. Langs die, voor de mens niet te bevatten, weg, heeft Hij iedereen die dat gelooft, gerechtvaardigd en bevrijd uit deze door het kwaad beheerste wereld [Jesaja 53; Galaten 1:4; Kolossenzen 1:15-20].


Straks zal Jeshua terugkomen op de wolken des hemel, bekleed met macht en grote luister, en zal zichtbaar vervuld worden wat Hij aan het kruishout heeft volbracht. Maar tot dat moment aanbreekt zullen we steeds opnieuw horen van oorlogen en opstanden, aardbevingen en overstromingen, hongersnoden en epidemieën, en zullen we in toenemende mate geconfronteerd worden met wetsverachting en liefdeloosheid, machtsmisbruik en zelfverrijking, bedrog en misleiding, verwarring en angst [Habakuk 3:4-6; Mattheüs 24:3-29; 2 Timotheüs 3:1-5].


Haat tegen Gods volk


Een ander opvallend voorteken van de wederkomst is de toenemende haat tegen Gods volk. Zolang Israël zich gedraagt ‘zoals alle andere volken[1 Samuel 8:5], zoals nu bij de aanpak van de coronacrisis, lijkt er geen vuiltje aan de lucht. Maar dat is maar schijn, want God zelf zorgt ervoor, niet zonder reden, dat de volken zich tegen Israël zullen keren.


Zacharia 12:2 [HSV]Zie, Ik ga Jeruzalem maken tot een bedwelmende beker voor alle volken rondom, ja, ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem.


Iets vergelijkbaars vinden we in Ezechiël 38. Daar lezen we dat, aan het einde van de wereldtijden, ‘Gog, de oppervorst van Mesech en Tubal, in het land Magog’, met zijn vele bondgenoten, bevel krijgt ‘om op te trekken tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël, die lange tijd verlaten zijn geweest. Teruggekeerd leeft het daar in veiligheid, zij allen[Ezechiël 38:8, NBV/NB].


Gog


Zoals vaak het geval is in de Bijbel, zegt de naam van een persoon of een locatie die ergens bij betrokken is, iets over zijn of haar identiteit of rol daarbij. Dat is ook hier het geval, zo zullen we zien.


Wat weten we over Gog, over zijn koninkrijk en zijn vele bondgenoten? We lezen dat Gog koning is van Mesech en Tubal, in het land Magog. Gog betekent zoveel als ‘hoogste-klasse’. Gog is taalkundig verwant aan gag, wat ‘dak’ betekent, aan og, wat ‘lange-nek’ betekent en aan agag, wat ‘ik-zal-hoger-zijn’ betekent. Og en Agag kennen we trouwens uit de Bijbel als de namen van twee koningen die zich onoverwinnelijk waanden en, net als Gog straks, de strijd aangingen met de Israëlieten, maar waarmee het slecht afliep, omdat de HEER voor Zijn volk Israël streed [Deuteronomium 3:1-13; Numeri 24:7; 1 Samuel 15]. De overwinningen op Og en Agag zijn zonder twijfel voorafbeeldingen van de overwinning die de Mensenzoon straks op Gog en zijn bondgenoten zal behalen.


Magog, Mesech en Tubal


Magog betekent ‘land-van-Gog’. Mesech en Tubal zijn de twee belangrijkste regio’s in het land Magog. Mesech betekent ‘uittrekken’ en Tubal betekent zoiets als ‘wereld-producten-drager’. Zijn naam verwijst, zo zou je kunnen zeggen, naar de wereldeconomie.


Magog, Mesech en Tubal waren zonen van Jafet, één van de drie zonen van Noach [Genesis 10:2]. Zij zijn de stamvaders geworden van verschillende volken ten noorden van Israël. De gebieden waar de nakomelingen van Magog, Mesech en Tubal naartoe zijn getrokken, worden vereenzelvigd met het bergachtige gebied tussen Cappadocië en het vroegere Medië. Magog is dus niet een geografisch land of een te onderscheiden natie, maar staat symbool voor de goddeloze macht aan het einde van de wereldtijden, waaraan alle landen en volken zich onderwerpen.


Gog staat symbool voor het hoofd van die macht. Gog zou kunnen zien op een specifiek persoon, maar ook op een groep mensen uit een bevoorrechte sociale klasse (zoals in een autocratie of oligarchie) die alle zeggenschap in handen heeft. Mij lijkt dat laatste het meest aannemelijk, omdat in Openbaring 17:13 gesproken wordt over tien koningen, die samen met het beest voor één uur koninklijke macht zullen krijgen en tien, in de Bijbel, staat voor een kwantitatieve volheid.


In Openbaring 17-18 wordt deze macht voorgesteld als een grote stad, genaamd Babylon. In het laatste Bijbelboek staat Babylon symbool voor het mondiale systeem dat de volken en hun leiders weten op te bouwen om zich los te maken van God en om Zijn volmaakte schepping in te richten naar hun eigen wensen en inzichten [zie www.wachters.nu/post/de-grote-herstart]. Volgens sommige taalkundigen betekent de naam Babylon zoveel als ‘hetgeen-de-markt-drijft’. Die betekenis geeft in elk geval aardig weer wat de werkelijke motieven zijn van de groten der aarde.


Openbaring 18:23 [EV](…) Je handelaars waren de groten der aarde, die met hun farmacie (Gr. pharmakeía) de volken misleidden.


Magog is trouwens een soort geheimschrift voor Babel: als je de medeklinkers van het Hebreeuwse woord Magog (mgg) één positie in het Hebreeuwse alfabet naar voren verschuift, krijg je Babel (bbl). Iets dergelijks vinden we in Jeremia 25:26, waar we lezen dat alle koninkrijken op aarde uit de beker met de wijn van Gods woede moeten drinken – ‘de koning van Sesach als laatste’. Sesach is een andere naam voor Babel [Jeremia 51:41], dat in een vergelijkbaar geheimschrift is geschreven: als je de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet vervangt door de laatste, de tweede door de voorlaatste, enzovoort, krijg je voor Sesach Babel.


Sesach betekent trouwens ‘uw-fijn-linnen’, wat, net als de naam Tubal, verwijst naar de grote rijkdom die de laatste wereldmacht zich zal hebben toegeëigend, voordat het, als laatste rijk op aarde, uit de beker met de wijn van Gods woede zal moeten drinken.


Gogs bondgenoten


In zijn roekeloze hoogmoed, gevoed door zijn diepe haat tegen God en Zijn volk, zal Gog zich laten verleiden om Israël aan te vallen, met de bedoeling de Joodse natie te verdelgen, zich van haar rijkdommen meester te maken en van Jeruzalem een panreligieus wereldcentrum te maken. Maar zijn duivelse plannen zullen falen, ondanks de militaire steun uit Perzië, Nubië, Libië, Gomer en Bet-Togarma [Ezechiël 38:5-6].


Perzië, dat ‘land-van-paarden’ betekent, kennen we als het huidige Iran. Nubië is het gebied dat het zuiden van het tegenwoordige Egypte en het noorden van het huidige Soedan omvat, en dat we in de Bijbel ook tegenkomen als Cush, wat ‘niet-helder’ betekent. Libië kennen we in de Bijbel ook als Put, wat ‘gave’ betekent.


Gomer, dat ‘voltooiing’ betekent, en Bet-Togarma, dat ‘huis-van-de-gebroken-botten’ betekent, komen overeen met gebieden die tezamen grotendeels Turkije en Armenië omvatten. Togarma was een zoon van Gomer, die, net als Magog, Tubal en Mesech, een zoon was van Jafet [Genesis 10:3; 1 Kronieken 1:6]. Hun afstammelingen hebben zich dus niet ver van elkaar gevestigd.


De vele volken die straks zullen optrekken tegen Israël, met uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de rest van de wereld, komen dus uit de gebieden die wij tegenwoordig kennen als Turkije, Syrië, Irak, Iran, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan, Libië, Egypte en Soedan. Behoudens Georgië en Armenië, zijn dat in onze dagen overwegend (streng) islamitische landen.


Allerlaatste strijdtoneel


Zoals gezegd, is het de HEER zelf die Gog en zijn vele bondgenoten beweegt op te trekken tegen Zijn land. Hijzelf maakt Jeruzalem tot het brandpunt van dit allerlaatste strijdtoneel. Israëls uitverkiezing heeft het Joodse volk gemaakt tot het doelwit van de heidenvolken in hun ijver zich tegen de Allerhoogste te verzetten. En daarom zal God hen naar Zijn land brengen om hen te straffen, maar vooral ook om Zijn grootheid en Zijn heiligheid te tonen en zich aan vele volken bekend te maken.


In Ezechiël 38:8 lezen we, zoals we hiervoor zagen, dat de dag van de HEER aanbreekt wanneer het Joodse volk nog maar amper hersteld is van de oorlog en het, na lange tijd, weer is samengebracht in het land van zijn voorouders.


Ziet die beschrijving niet op onze tijd? Zonder meer, want na ‘lange tijd’, na meer dan negentien eeuwen, komt het Joodse volk sinds 1948 weer thuis, vanuit alle landen van de wereld. En kun je zeggen dat het Joodse volk is hersteld van de oorlog? Nauwelijks, want hoewel hun aantal snel kleiner wordt, zijn er nog altijd overlevenden in Israël die zich dagelijks de verschrikkingen van de Holocaust herinneren.


Ook de profeet Joël geeft aan wanneer God zal afrekenen met de heidenvolken die zich tegen Hem en Zijn volk hebben gekeerd.


Joël 4:1-3In dezelfde tijd dat Ik het lot van Juda en Jeruzalem ten goede keer, zal Ik alle heidenvolken bijeenbrengen en wegvoeren naar de vallei van Josafat om daar een oordeel over hen te vellen. Want zij hebben Mijn volk Israël, Mijn eigendom, onder vreemde volken verstrooid, ze hebben Mijn land verdeeld en om Mijn volk het lot geworpen.


In de vallei van Josafat zal dus de grote afrekening plaatsvinden met Gog en zijn bondgenoten. De naam Josafat betekent veelzeggend ‘de-Heer-houdt-gericht’. De meeste Bijbelgeleerden vereenzelvigen het dal van Josafat met het dal van Meggido, in het noorden van Israël, omdat volgens Openbaring 16:14-16 alle koningen op aarde op de grote dag bijeengebracht worden voor de strijd op een plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet en die naam zou verwijzen naar de heuvel (har) Meggido, aan de zuidelijke rand van de vlakte van Jizreël. Maar steeds meer taalkundigen menen dat Harmagedon niet verwijst naar de heuvel Meggido, maar is afgeleid van a-re-ma en ge-don, en zoveel betekent als ‘vallei-van-de-rechter-over-de-geoogste-schoven’. Harmagedon zou dan dus niet verwijzen naar de naam van een heuvel, maar naar een vallei, een dal, waar geoordeeld gaat worden, waar met een scherpe sikkel geoogst gaat worden. En dat beeld komen we in dit verband meerdere keren tegen in de Bijbel [Marcus 4:26-29].


Openbaring 14:15Uit de Tempel kwam een andere engel, die hem die op de wolk zat met luide stem toeriep: ‘Laat uw sikkel komen om te oogsten. Want de tijd om te oogsten is gekomen; de aarde is meer dan rijp voor de oogst.’


Omdat de strijd vooral om Jeruzalem gaat [Zacharia 12:1-3, 14:2-5; Joël 4:16], is het aannemelijk dat de vallei van Josafat gesitueerd is op een plaats niet heel ver van Jeruzalem vandaan.


Olijfberg


Maar dan verschijnt de Mensenzoon in hemelse heerlijkheid, omringd met alle engelen. De ontmoeting met de glorieuze Koning van Israël zal verpletterend zijn voor de heidenvolken [Joël 4:14-17]. Jeshua zal Zijn voeten planten op de Olijfberg [Zacharia 14:4] – uitgerekend de plaats vanwaar Hij Zijn discipelen vertelde over de laatste dagen en over Zijn wederkomst.


Zijn wederkomst op de Olijfberg zal een zware aardbeving veroorzaken, waardoor de berg in tweeën zal splijten: de ene helft zal wegglijden naar het noorden en de andere naar het zuiden, zodat er een breed dal zal ontstaan van oost naar west. Het dal zal reiken tot aan Asel, een vallei ten zuiden van Jeruzalem. Asel betekent veelzeggend ‘God-heeft-voorbehouden’.


Is het niet opmerkelijk dat onder de Olijfberg een breuk loopt in de aardkorst, die zo diep is dat het volgens seismologen niet de vraag is of, maar wanneer Israël getroffen gaat worden door een zware aardbeving, zoals die er ook was in de tijd van koning Uzzia?


Zoals God destijds de Rode Zee deed splijten en een doorgang maakte voor Zijn volk op de vlucht voor het leger van de farao, zo zal God de Olijfberg splijten om een doorgang te maken voor de Jeruzalemmers op de vlucht voor de legers van Gog.


Ook Juda wordt gered


Terwijl de Jeruzalemmers het dal in vluchten om een veilig onderkomen te zoeken, zal de HEER tegelijk ook waken over het volk van Juda. Hij zal hen op miraculeuze wijze de overwinning schenken op hun vijanden. Het zal de Judeeërs doen beseffen dat de HEER, de Machtige van Jacob, ook hun redder en beschermer is [Jesaja 60:16].


Zacharia 12:5Onze kracht ligt bij de inwoners van Jeruzalem, dankzij de HEER van de hemelse machten, hun God.


Gods toorn


De HEER zal zo’n paniek laten uitbreken onder de internationale troepenmacht, dat de legers onderling slaags raken [Zacharia 14:13; Ezechiël 38:21]. Daarnaast zal Hij de legers treffen met een afgrijselijke plaag, erger dan de tien plagen van Egypte tezamen.


Ezechiël 38:22 [EV/NBV] – Ik zal Gog straffen met epidemische ziekte en bloed, Ik laat slagregens, hagelstenen, zwavel en vuur neerkomen op hem, op zijn troepen en al zijn bondgenoten.


Zacharia 14:12(…) terwijl ze nog levend rondlopen, zal Hij hun vlees laten wegteren van hun botten, hun ogen laten wegrotten in hun kassen en hun tong laten wegrotten in hun mond.


Maar niet alleen de internationale troepenmacht zal Gods woede voelen, nee, heel de aarde zal getroffen worden door Gods toorn. Het zal voor de volken – in de woorden van Sefanja – een dag zijn van razernij, van angst en benauwdheid, van rampspoed en onheil, van duisternis en donkerheid, van dreigende, donkere wolken [Sefanja 1:14-18]. Grote en kleine steden zullen door een zware aardbeving worden verwoest. De kustlanden zullen te maken krijgen met allesvernietigende tsunami’s. Uit de hemel zal het loodzware hagelstenen, zwavel en vuur regenen. Onophoudelijk zal de verduisterde hemellucht worden opgelicht door bliksemschichten en zal de dreigende stilte worden doorbroken door groot geraas en donderslagen [Openbaring 16:18]. Het zal de mensen op aarde onmachtig van angst maken voor wat er met de wereld gaat gebeuren. Ze zullen rondlopen als blinden [Lucas 21:26].


Johannes schrijft over de grote dag van Gods toorn, over de dag van de HEER:


Openbaring 6:15-17Koningen, machthebbers, legeraanvoerders, rijken, aanzienlijken, slaven en vrije mensen, iedereen trachtte zich te verbergen in grotten en tussen de rotsen in de bergen. Ze riepen de bergen en de rotsen toe: ‘Val op ons neer! Verberg ons voor het oog van Hem die op de troon zit en voor de toorn van het Lam! Want nu is de grote dag van Hun toorn aangebroken, en wie kan die doorstaan?’


Reken maar dat er door al dat natuurgeweld nog meer paniek zal uitbreken en chaos zal ontstaan onder de troepen, die klaar staan om Jeruzalem aan te vallen. Ja, de machtigen der aarde, die zeiden: ‘Wij bezetten het land waar God Zijn woning heeft[Psalm 83:13], zullen door de Almachtige worden weggevaagd. Ze zullen sneuvelen op de bergen van Israël en in het open veld en daar hun graf vinden [Ezechiël 38:18-22].


Zacharia 12:9 [NBV/SV]Op die dag zal Ik alles in het werk stellen om de heidenvolken uit te roeien die Jeruzalem belagen.


Het is het oordeel van God over de zelfgenoegzame volken, die Zijn volk steeds harder hadden aangepakt. Geen volk uitgezonderd. Want niet één volk nam het in al die eeuwen op voor Zijn veelgeplaagde volk. In Jesaja lezen we hoe dit God mishaagt:


Jesaja 63:3-6Ik heb de perskuip alleen getreden, geen van de volken hielp Me daarbij. Ik trad hen in Mijn woede, vertrapte hen in Mijn toorn. Hun bloed bespatte Mijn kleren, al Mijn kleren werden besmeurd. Ik had besloten tot een dag van wraak, het jaar van vergelding was aangebroken. Toen zag Ik dat er niemand was die hielp, Ik was geschokt dat niemand Mij aanmoedigde. Op eigen kracht bracht Ik redding, door Mijn woede aangespoord. Ik heb de volken in Mijn woede vertrapt, met Mijn toorn heb Ik hen dronken gevoerd. Hun bloed liet Ik op aarde neervloeien.


Als we op ons in laten werken, welk scenario God in petto heeft voor de volken en hun leiders, die Zijn volk, Zijn kostbaar bezit, straks zullen aanvallen, dan kunnen we eigenlijk alleen nog maar met de profeet Habakuk zeggen:


Habakuk 3:2HEER, ik heb Uw aankondiging gehoord. Voor wat U gaat doen, HEER, heb ik ontzag. Breng het in deze tijd tot stand, maak het in deze tijd bekend, maar toon Uw mededogen als het tumult losbarst.


Bas van Twist, juli 2021



3.733 weergaven2 opmerkingen