DERTIG ZILVERSTUKKEN
- Bas van Twist

- 14 minuten geleden
- 7 minuten om te lezen

Mattheüs 27:9-10 – Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: ‘En ze verzamelden de dertig zilverstukken, het bedrag waarop Hij geschat was en dat ze hadden bepaald met de zonen van Israël, en ze betaalden er de akker van de pottenbakker mee, zoals de Heer mij had opgedragen.’
De evangelist Mattheüs verwijst hier naar iets dat door de profeet Jeremia zou zijn gezegd. Maar hoe komt het dan dat we die tekst nergens bij Jeremia tegenkomen? Wel komt dit citaat tot op zekere hoogte terug bij Zacharia. Heeft Mattheüs zich soms vergist?
Uit de tekst kunnen we afleiden dat Mattheüs ons met zijn samengestelde citaat iets duidelijk wil maken. We noemen dat associatief citeren. Op ons komt dat wellicht wat vreemd over, maar in Jeshua’s tijd was dat heel gebruikelijk, omdat men de woorden van de profeten als één geheel beschouwde: Israëls profeten spraken met één mond.
Van Jeshua kennen we ook verschillende samengestelde citaten. In Lucas 4:18-19 en Lucas 7:22 citeert Hij uit Jesaja 26, 29, 35, 42 en 61 precies die verzen, die actueel zijn bij Zijn eerste komst, maar niet die pas actueel zullen zijn bij Zijn wederkomst.
Deze manier van citeren is er ook de reden van dat in het Nieuwe Testament soms alleen wordt verwezen naar de profeten, zonder een bepaalde naam te noemen [Mattheüs 2:23, 26:56]. Dit geeft ruimte om teksten van verschillende profeten associatief te combineren door ze aan elkaar te rijgen of ze in elkaar te schuiven. Op het samengestelde citaat mag dan, omwille van de herkenbaarheid, de naam van de belangrijkste profeet worden geplakt.
Marcus doet dit bijvoorbeeld aan het begin van zijn boek als hij schrijft over het optreden van Johannes de Doper [Marcus 1:2-3]. Hij vermeldt wat geschreven staat bij de profeet Jesaja [Jesaja 40:3], maar combineert dat citaat met een citaat uit Maleachi [Maleachi 3:1].
Mattheüs citeert herhaaldelijk op deze manier uit de Tenach, juist om daarmee aan te geven dat het evangelie van Jeshua de vervulling is van wat door Mozes en de profeten is voorzegd over Gods Reddingsplan met Israël en met de wereld. Mattheüs geeft met zijn vervullingscitaten commentaar op de gebeurtenissen in zijn tijd.
Judas’ berouw
Zo doet hij dat ook ten aanzien van het berouw van Judas. Een uiterst dramatisch moment in het evangelie. Na zijn Meester te hebben uitgeleverd, krijgt Judas gewetenswroeging.
Mattheüs 27:4 – ‘Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.’
Maar als Judas zijn verradersloon wil teruggeven aan de hogepriesters en de oudsten, weigeren ze het zilver terug te nemen. Hij moet zelf maar een manier zien te vinden om vergiffenis te krijgen voor zijn misdaad. Ontdaan en vol zelfverwijt smijt Judas hierna de dertig zilverstukken de Tempel in, waarna hij wegvlucht en zich verhangt. Van Petrus weten we verder dat Judas daarbij vooroverviel en zijn lichaam openscheurde [Handelingen 1:18]. Het wordt niet vermeld, maar wellicht brak het touw waarmee hij zich van het leven wilde beroven.
Dertig zilverstukken
Ondertussen rapen de hogepriesters de dertig zilverstukken in de Tempel bij elkaar. Omdat zij het als bloedgeld beschouwen, mag het niet in de tempelschat worden gestort. Na overleg besluiten zij er de akker van de pottenbakker van te kopen, die voortaan als begraafplaats voor vreemdelingen zal dienen. Als het verraad en de gruwelijke dood van Judas bekend wordt in de stad, krijgt het stuk grond al gauw de naam ‘bloedgrond’ (hakèl damà) [Mattheüs 27:3-8; Handelingen 1:18-19].
Zoals gezegd, vinden we de door Mattheüs geciteerde woorden deels terug bij Zacharia, waar we lezen:
Zacharia 11:12-13 [NBV/EV] – Ik zei tegen hen: ‘Als u tevreden bent, keer me dan mijn loon uit; zo niet, laat het dan maar.’ En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig zilverstukken. Toen zei de HEER tegen mij: ‘werp het naar de pottenbakker, dat vorstelijke loon dat zij me waard vinden.’ Ik nam de dertig zilverstukken en wierp ze, in het huis van de HEER, naar de pottenbakker.
Deze woorden klinken wanneer Zacharia van God een dichterlijke aankondiging hoort van verwoesting en oordeel. De HEER geeft Zacharia opdracht ‘de schapen die voor de slacht bestemd zijn’ te weiden. Het volk van Jacob is er slecht aan toe wanneer God Zijn goede herder stuurt, want het wordt onderdrukt door vreemde overheersers en door zijn eigen leiders.
Als beeld van de goede herder, moet Zacharia de herdersrol op zich nemen en de kudde weiden. Maar er ontstaat een vertrouwensbreuk. Niet alleen de leiders wijzen hem af, ook de kudde krijgt een afkeer van hem. Zacharia wil als herder de kudde dan ook niet langer weiden en vraagt om zijn loon, waarna ze hem dertig zilverstukken betalen. In opdracht van de HEER moet Zacharia dat ‘vorstelijke loon’ in de Tempel naar de pottenbakker werpen.
In deze profetische handeling wordt vooruitgewezen naar wat eeuwen later in vervulling gaat als God Zijn volk de langverwachte Messias zendt, Zijn eniggeboren Zoon, en deze door het volk en zijn geestelijke leiders wordt afgewezen.
Johannes 1:11 – Hij kwam naar wat van Hem was, maar wie van Hem waren hebben Hem niet ontvangen.
Maar Hij werd niet alleen afgewezen, Hij werd ook voor dertig zilverstukken verraden om te worden gedood [Mattheüs 26:14-15].
Opmerkelijk is bovendien dat volgens de Thora een vergoeding van dertig zilverstukken verschuldigd was wanneer een slaaf door een rund werd gedood [Exodus 21:32]. Juist tegen die achtergrond krijgen de woorden van Paulus aan de Filippenzen een bijzondere betekenis.
Filippenzen 2:6-7 – Hij die de gestalte van God had, hield Zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens.
Dertig zilverstukken – de vergoeding voor een gedode slaaf – is blijkbaar het bedrag dat de hogepriesters Hem waard vinden.
Oordeel en bevrijding
Maar Mattheüs noemt nog andere elementen, waarover we bij Zacharia niets lezen, zoals het oordeel, de betrokkenheid van de hogepriesters en de oudsten en de aankoop van een akker. Daarover lezen we echter wel iets bij Jeremia.
Jeremia 18:1-6 – De HEER richtte zich tot Jeremia: ‘Ga naar de werkplaats van een pottenbakker, daar zal Ik laten horen wat Ik je te zeggen heb.’ Ik ging naar een werkplaats, waar een pottenbakker juist op zijn draaischijf aan het werk was. (…) ‘Volk van Israël, Ik kan met jullie hetzelfde doen als die pottenbakker – spreekt de HEER. Immers, jullie zijn in Mijn handen als klei in de handen van een pottenbakker.
Jeremia 19:1-11 – Dit zei de HEER: ‘Koop een aarden kruik en ga met enkele oudsten van het volk en van de priesters de stad uit. Ga naar het Hinnomdal bij de Schervenpoort en verkondig daar wat Ik je zeg. (…) Sla in aanwezigheid van de mannen die je vergezellen de kruik stuk en zeg tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Zo zal Ik dit volk en deze stad stukslaan.
Jeremia moet van de HEER dus een aardewerken kruik van een pottenbakker kopen en die in het Hinnomdal, voor de ogen van de aanwezige oudsten en priesters, breken, als teken van Gods oordeel over het volk en hun leiders vanwege hun aanhoudende wandaden.
Maar terwijl Jeruzalem op het punt staat te worden ingenomen door de Chaldeeën, laat de HEER Jeremia weten dat aan die straf, die ballingschap, een einde zal komen.
Jeremia 32:37-39 – Ik zal de inwoners samenbrengen uit alle landen waarheen Ik ze in Mijn grote woede en toorn verdreven heb, ze terugbrengen naar deze stad en ze er in vrede laten wonen. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn.
Akker
Als teken van de belofte dat eens in het land weer akkers, huizen en wijngaarden zullen worden gekocht [Jeremia 32:15], krijgt Jeremia de opdracht van God om de akker van zijn neef te kopen, omdat hij als losser de plicht heeft die in de familie te houden.
Jeremia 32:8-9 – Het gebeurde zoals de HEER had gezegd. Mijn neef Chanamel kwam naar het kwartier van de paleiswacht en vroeg mij: ‘Koop alsjeblieft mijn akker in Anatot, in het gebied van Benjamin. Jij hebt als losser het recht van eerste koop, jij kunt hem in de familie houden.’ Ik begreep dat dit een opdracht van de HEER was en kocht de akker van mijn neef Chanamel uit Anatot.
Losser
In Jeremia's optreden als losser kunnen we bovendien een opmerkelijke voorafschaduwing zien van Jeshua als Losser. Zoals de akker in Anatot in de macht was van Babel, zo was de mensheid in de greep van zonde en dood. Omdat alleen een familielid losser kon zijn, kon Jeremia zijn neef helpen. En omdat Gods Zoon mens werd, kon Hij de mensen vrijmaken van zonde en dood [Hebreeën 2:14-15].
Nu terug naar Mattheüs, want opnieuw wordt er een akker gekocht. Maar nu met het bloedgeld waarmee de Messias is verraden. De akker die in Jeremia midden in het oordeel een onderpand van toekomstig herstel wordt, verschijnt bij Mattheüs opnieuw rond het diepste moment van Israëls verwerping van zijn Messias. Het oordeel is werkelijk.
Maar Gods heilsplan is daardoor niet mislukt. Integendeel. Juist door het bloed van Degene die voor dertig zilverstukken werd verkocht, bracht God verzoening.
En daarmee krijgt die akker ineens iets evangelisch. Het bloedgeld waarmee Israël zijn Messias verwierp, krijgt uiteindelijk zowaar een bestemming waarin de vreemdeling een plaats ontvangt.
Tot slot
Mattheüs citeert dus niet eenvoudig Zacharia en schrijft er per abuis Jeremia boven. Nee, hij weeft Zacharia 11, Jeremia 18, 19 en 32 bewust samen tot één profetisch beeld. Weliswaar lijken de meeste woorden op die uit Zacharia te komen, maar het hele decor is Jeremiaans. Want juist Jeremia 18, 19 en 32 leveren het bredere decor van pottenbakker en akker, oordeel en herstel, en de betrokkenheid van priesters en oudsten.
Mattheüs heeft zich dus níet vergist, maar geeft een samengesteld citaat om te bewijzen dat het evangelie van Messias Jeshua, ook voor wat betreft het berouw van Judas en de gevolgen daarvan, de vervulling is van wat bij Mozes en de profeten al was voorzegd.
God zou Zijn Zoon naar de wereld zenden om verzoening te brengen voor Israël en voor de wereld. De hogepriesters stelden Zijn prijs op de vergoeding voor een gedode slaaf: dertig zilverstukken. Bij monde van Zacharia had de Vader die prijs eeuwen tevoren al voorzegd. Maar het was een onderdeel van het plan zoals de Vader dat bij monde van Zijn profeten eertijds had aangekondigd [Johannes 13:18].
De mens bepaalde de waarde van Gods Zoon op de prijs van een slaaf. Maar Zijn werkelijke waarde bleek voor diezelfde mens onbetaalbaar.
Bas van Twist, september 2026

Opmerkingen