EEN GODDELIJK MYSTERIE

Bijgewerkt op: aug 27


Als klei in de handen van een pottenbakker


Een keuze tussen leven en dood


Veertig jaar na de uittocht uit Egypte, op de eerste dag van de elfde maand, sluit de HEER met Israël opnieuw een verbond, als aanvulling op het verbond dat Hij eerder met hen had gesloten bij de Horeb. Bij monde van Mozes houdt God de Israëlieten de geboden en wetten voor waaraan ze zich moeten houden als ze eenmaal in het Beloofde Land zullen wonen. We vinden deze voorschriften in Deuteronomium 6 t/m 28.


Wanneer het volk in ontzag voor de HEER zal leven en zich zal houden aan het verbond, zullen ze rijk gezegend worden. Maar als de Israëlieten zich afkeren van hun Schepper en vreemde goden achterna gaan lopen, zal dat vreselijke gevolgen voor hen hebben [Deuteronomium 28]. Mozes zegt dan ook niet voor niets dat hij hen de keus voorhoudt tussen leven en dood, tussen voorspoed en tegenspoed [Deuteronomium 30:15].


Als je op je in laat werken welke vervloekingen over het volk zullen komen wanneer het niet naar de HEER luistert, dan lopen de rillingen je over de rug. Vooral omdat je je dan realiseert dat al die vervloekingen werkelijkheid zijn geworden voor het Joodse volk – tot in detail.


Een koperen hemel


Hoe kon het gebeuren dat Gods volk zulke verschrikkingen moest doorstaan, terwijl Hij Zich voor hen verborgen hield? ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?[Psalm 22:2] schreeuwden ze eeuwenlang uit. Maar hun schreeuw bleef onbeantwoord. De hemel boven hun hoofd was van koper en de grond onder hun voeten van ijzer [Deuteronomium 28:23].


Toch was God erbij, maar onzichtbaar, al die eeuwen van ellende en rampspoed, al die eeuwen dat het leek alsof de Vader niet meer begaan was met hen.


Jesaja 63:9 – In al hun nood was ook Hijzelf in nood: zij werden gered door de Engel van Zijn tegenwoordigheid. In Zijn liefde en mededogen heeft Hij hen zelf verlost, Hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door.


Het volk had zich van de HEER, zijn God, afgekeerd en het verbond verlaten. Dat Israël zo gestraft werd voor zijn wandaden – vele malen harder dan welk ander volk dan ook – heeft alles te maken met Gods uitverkiezing van Israël [Amos 3:2; Hosea 13:9].


Maar hoe bestaat het toch dat Israël telkens weer de fout in ging en vreemde goden achterna liep? Dat ze zo hardnekkig hun God de rug toekeerden, terwijl Mozes hen de gevolgen daarvan had voorgehouden? Hoe konden ze de wonderen en grote tekenen vergeten die de HEER voor hun eigen ogen had gedaan in Egypte? Hoe kon het volk van Jacob zijn Rots gaan minachten? Is dit soms een onderdeel van Gods majestueuze plan met de wereld?


Zonder enige pretentie in staat te zijn Gods wegen te doorgronden – hoe zou een nietig mens dat ooit kunnen? – waag ik een bescheiden poging een (begin van een) antwoord te vinden op deze vragen. Want als wat Israël als volk is overkomen een onderdeel is van Gods heilsplan met de wereld, zou God dat dan niet aan Zijn profeten hebben onthuld [Amos 3:7]?


Ogen om niet te zien


Laten we teruggaan naar de dag dat God met Zijn volk opnieuw een verbond sluit. Mozes heeft de Israëlieten die dag alle wetten en geboden van de HEER voorgehouden. Het zal dan ook aan het einde van de middag zijn geweest, als Mozes nogmaals de aandacht van de Israëlieten vraagt. Hij begint zijn rede met hen te herinneren aan hun indrukwekkende bevrijding uit Egypte, aan de grote wonderen en tekenen die God voor hun eigen ogen aan de farao, zijn dienaren en aan heel het land heeft gedaan. Maar dan ineens zegt Mozes:


Deuteronomium 29:4 [NBG] – Doch de HERE heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op de huidige dag.


Mozes – van wie geschreven staat dat Israël nooit meer een profeet gekend heeft met wie de HEER zo vertrouwelijk omging [Deuteronomium 34:10] en die daarom niet zo maar iets uit zichzelf zegt – profeteert hier dat God zelf Zijn volk blind en doof heeft gemaakt voor de weg die Hij met hen gaat. God heeft besloten om iets verborgen te houden voor Zijn volk [Deuteronomium 29:29, NBG]. Niet alleen Mozes, ook Jesaja profeteert meerdere keren over die verborgenheid:


Jesaja 6:9-10 – Toen zei Hij: ‘Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: ‘Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.’ Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen.


Jesaja 29:10 – Want een geest van diepe slaap heeft de HEER over jullie uitgestort: Hij heeft jullie ogen, de profeten, gesloten en jullie verstand, de zieners, verduisterd.


Jesaja 42:19 – Is er iemand zo blind als Mijn dienaar, zo doof als de bode die Ik zend? Is er iemand zo blind als dit gestrafte volk, blind als de dienaar van de HEER?


Ook Jeshua wijst op dit geheimenis als Hij nederig op het jong van een ezelin de Olijfberg afdaalt richting Jeruzalem [Zacharia 9:9]. Terwijl een enorme mensenmassa Hem toejuicht en op het punt staat Hem tot koning uit te roepen, kijkt Jeshua uit over de stad en begint Hij te huilen, omdat het goede nieuws nog verborgen moet blijven voor Zijn eigen volk en omdat voor hen een tijd zal aanbreken van enorme verschrikkingen, zoals er sinds het ontstaan van de wereld nog niet eerder is geweest. Pas als die tijd voorbij is, zullen zij het goede nieuws horen en zal het tot hun hart doordringen.


Lucas 19:42 – Hij zei: ‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu.’


Waarom houdt de HEER de betekenis van de woorden van de profeten verborgen voor Zijn volk? Uitgerekend Zijn eigen volk, waarvan Hij zo ontzettend veel houdt, waarvoor Hij de mensheid zou willen opgeven, ja alle volken om hen te behouden [Jesaja 43:4]? Wil de Vader dan niet dat Zijn volk naar Hem terugkeert wanneer het is afgedwaald? Want dat gebeurt al snel wanneer de Israëlieten eenmaal in het land wonen. Steeds weer opnieuw keren ze hun God de rug toe en gaan ze andere goden vereren. Ze krenken de HEER daarmee diep en maken Hem woedend met hun schandelijke gedrag. En gaandeweg worden de vervloekingen die Mozes het volk had voorgehouden werkelijkheid [Deuteronomium 29:24-28]. Het volk lijkt ten dode opgeschreven, verloren.


Is dat het einde van wat zo mooi begon? Laat God de werken van Zijn handen dan toch los [Psalm 138:8]? Nee, daarover is de Bijbel duidelijk. En daarom grijpt de Vader in – niet omwille van Israël, maar omwille van Zijn heilige Naam, die het volk had ontwijd bij de volken waar ze gekomen waren [Deuteronomium 32:26-27; Jesaja 48:9-11; Ezechiël 36:22]! En daarom zal Hij Zijn volk redden en het terugbrengen naar zijn eigen land. Daar zal Hij hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven. Daar zal Hij hun Zijn geest geven en ervoor zorgen dat ze weer volgens Zijn wetten leven en Zijn regels in acht nemen [Ezechiël 36:22-29].

De verlossing die God Zijn volk belooft, zal Hij brengen door Zijn eigen Zoon [Psalm 2:7-8; Jesaja 9:5-6; Lucas 1:26-33].


Mysterie


En dan is er dat mysterie, waar ook Paulus over spreekt [Efeziërs 3:6]: de Vader zal Zijn Zoon niet alleen naar de aarde zenden om het volk van Jacob naar Hem terug te brengen, om Israël rond Hem te verzamelen – nee, dat is de Vader te gering – Hij zal Zijn Zoon óók naar de andere volken zenden, zodat ook zij het goede nieuws zullen horen en de weg van de vrede gaan bewandelen.


Jesaja 49:6 [SV/NBV] – Verder zeide Hij: ‘Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jacob, en om terug te brengen de bewaarden in Israël; Ik zal Je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt.’


God grijpt de overtredingen van Zijn volk aan om Zijn reddingsplan voor de andere volken te verwezenlijken. En Mozes mocht daarvan al profeteren:


Deuteronomium 32:20-21 [NBG] – Hij zeide: Ik wil Mijn aangezicht voor hen verbergen en zien, wat hun einde wezen zal, want zij zijn een verkeerd geslacht, kinderen, die geen trouw kennen. Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is, zij krenkten Mij met hun ijdelheden. Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie (עַם, am) is, door een dwaas volk (גּוֹי, goy) zal Ik hen krenken.


Hoewel de Israëlieten, generatie op generatie, deze woorden met de rest van het lied van Mozes uit hun hoofd moeten leren, blijft de betekenis van deze woorden voor hen verborgen, tot op de dag van vandaag.


Een dwaas volk


God wist tevoren dat Zijn volk ‘een opstandig en onhandelbaar volk[Deuteronomium 31:27] zou zijn dat keer op keer het verbond zou verbreken en andere goden zou nalopen, en daarom besluit Hij Zich voor hen te verbergen en Zich te wenden tot ‘een dwaas volk. Op deze manier zou God Zijn volk laten ervaren hoe het voelt om in de steek gelaten te worden. Op deze manier zou Israël afgunstig worden op dat dwaze volk, omdat zij zouden krijgen wat hen al veel eerder was beloofd.


Voor een goddelijk ogenblik zou de Vader zich – voor het oog – niet meer bemoeien met Zijn volk, maar zich nog slechts bezighouden met ‘wat geen natie is’, met ‘een dwaas volk’.


De HEER leek zich enkel nog te bemoeien met heidenen, die voorheen als dwaas werden beschouwd omdat ze de Schepper van hemel en aarde niet vereerden, maar knielden voor vreemde goden [Spreuken 9:10; 1 Korintiërs 12:2]. Deze heidenen vormden ‘geen natie’, want zij behoorden niet tot één volk [Genesis 10; Handelingen 15:14].


En hoewel het volk het verbond had verbroken, deed de HEER dat niet omwille van Zijn heilige Naam. Had Hij Abraham niet laten zien dat Hijzelf voor Zijn volk zou instaan als ze het verbond zouden verbreken? Dat Hij hun overtredingen zou vereffenen? Het was immers niet Abraham, maar de Engel van Gods tegenwoordigheid die tussen de doormidden gehakte dieren doorging [Genesis 15:7-20; Exodus 3:2, 14:24, 23:20-23].

De Vader had Zich dus voor een bepaalde tijd afgewend van Zijn volk ten gunste van de heidenen, afkomstig uit alle volken.


Het goede nieuws


En terwijl God over Zijn volk een geest van diepe slaap heeft uitgestort, waardoor ze hun langverwachte Messias niet kunnen herkennen, en voor hen nog verborgen blijft wat werkelijk shalom brengt [Jesaja 48:18; Lucas 19:41-42], is aan de heidenen het goede nieuws verkondigd van het Koninkrijk van God [Romeinen 11:25-26, HSV].


De heidenen, die eerst van God vervreemd waren, mogen nu van Zijn genade horen, om zo Israël afgunstig te maken. Want terwijl het volk van Jacob nog moet wachten op wat hen is beloofd, mogen de heidenen dat nú al ontvangen. En daarom concludeert Paulus dat als gevolg van Israëls val, het heil tot de heidenen is gekomen, om Israël tot jaloersheid te verwekken [Romeinen 11:11].


Dubbele vreugd


Maar op de grote dag zal de (wederzijdse) afgunst tussen het uitverkoren volk en het dwaze volk wegvallen. Wanneer God heel het volk van Israël zal hebben vervuld met een geest van mededogen en inkeer, wanneer het volk van Jacob zich weer heeft gewend tot de HEER, hun God, en zij na al die eeuwen eindelijk verenigd zijn met hun Messias, Jeshua, die al die tijd voor hen verborgen was [Zacharia 12:10]. Dan zal hun vreugde zó groot zijn, dat ze het dwaze volk van harte zullen uitnodigen om het grote feest mee te vieren [Openbaring 19:9]. En dat dwaze volk zal zich dan haasten om zich bij Israël te voegen om dat luisterrijke feest mee te vieren.


Jesaja 55:4-5 [NBV/HSV] – Hem (Jeshua) heb Ik aangesteld als vorst en heerser over de naties, als getuige voor de volken. Ook jij (Israël) zult een volk (גּוֹי, goy) roepen dat je nog niet kende, en het volk dat je nog niet kende, zal zich haasten om bij je te zijn, omwille van de HEER, je God, de Heilige van Israël, die je deze luister heeft verleend.


Wat een schitterend vooruitzicht!


Nieuwe vragen


We mogen met Job [Job 42:2] en Paulus [Romeinen 11:33-36] zonder twijfel vaststellen dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn. Zeker als het gaat om de Weg die Hij gaat om alle mensen te redden en hen de Waarheid te leren kennen [1 Timoteüs 4:10]. Elke openbaring gaat gepaard met nieuwe vragen. Ook nu wellen nieuwe vragen op: In hoeverre moest Israël plaatsvervangend lijden voor de heidenvolken? Het volk heeft immers niet alleen schuldig geleden, maar vooral onnoemelijk veel onschuldig geleden [Psalm 59:2-6, 44: