• Bas van Twist

JOB, BEELD VAN ISRAËL

Bijgewerkt: mei 17

Job is ongetwijfeld één van de meest intrigerende boeken in de Bijbel. Het wordt door sommigen gezien als het mooiste poëtische werk uit de wijsheidsliteratuur. Het is zo’n vierduizend jaar oud en daarmee waarschijnlijk het oudste boek ter wereld. Het is vernoemd naar Job, een rechtschapen en onberispelijk man met ontzag voor God (Job 1:1). Jobs rechtvaardigheid is zelfs spreekwoordelijk geworden. Ook in de Bijbel kunnen we daarover lezen (Ezechiël 14:14, 14:20; Jacobus 5:11).


Over Jobs afkomst wordt, in tegenstelling tot die van zijn vrienden, niets vermeld, alleen dat hij in Uz woonde. Mogelijk was Job een zoon van Issaschar en daarmee een kleinzoon van Jacob (Genesis 46:13).


Jobs bezit en kinderen als inzet


Job was zich er tijdens zijn leven niet van bewust dat er ergens in een hemels gewest over hem gesproken werd. Hij had er geen idee van dat niet alleen God, maar ook andere hemelbewoners, waaronder Satan, hem gadesloegen. Nog minder kon hij vermoeden dat er een soort weddenschap tussen God en Satan meespeelde in het lijden dat hem overkwam.


Het gebeurde op een dag dat de ​hemelbewoners hun opwachting kwamen maken bij de HEER. Ook Satan bevond zich onder hen.


Job 1:8-12 – De HEER vroeg aan ​Satan: ‘Heb je ook op Mijn dienaar ​Job​ gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ​ontzag​ voor God en mijdt het kwaad.’ Satan​ antwoordde de HEER: ‘Zou ​Job​ werkelijk zonder reden zoveel ​ontzag​ voor God hebben? U beschermt hem immers, evenals zijn gezin en alles wat hem toebehoort. U hebt het werk dat hij doet gezegend, zodat zijn bezit zich steeds meer uitbreidt. Maar als U Uw hand naar hem uitstrekt en aantast wat hem toebehoort, zal hij U ongetwijfeld in Uw gezicht ​vervloeken.’ Toen zei de HEER tegen ​Satan: ‘Goed, met alles wat van hem is mag je doen wat je wilt, maar raak ​Job​ zelf niet aan.’


Hierop vertrok Satan om zijn duivelse plan uit te voeren, in de verwachting dat Job God zou gaan vervloeken.


In amper één uur tijd krijgt Job de ene onheilstijding na de andere. Eerst komt een boodschapper hem vertellen dat zijn ​vee​ is geroofd en de knechten die de dieren hoedden zijn gedood. De man is nog niet uitgesproken of een ander komt hem meedelen dat zijn schapen en ​geiten zijn getroffen door de bliksem en dat ook de knechten die ze weidden zijn verbrand. Ook hij is nog niet uitgesproken of er komt een volgende boodschapper Job vertellen dat zijn kamelen zijn geroofd en de knechten die op ze pasten zijn gedood. En terwijl ook deze boodschapper nog niet is uitgesproken komt een volgende met het bericht dat het huis van zijn oudste zoon, waar op dat moment al zijn kinderen waren, door een hevige storm is ingestort en zij allen​ onder het puin de dood hebben gevonden.


Wij kunnen ons de schrik, het verdriet en de radeloosheid van Job niet voorstellen. Wat deze rechtvaardige te verduren heeft gekregen is met geen pen te beschrijven en gaat ons bevattingsvermogen te boven.


Jobs reactie op al die onheilstijdingen, op al die rampspoed die hem heeft getroffen, is tekenend voor Job, en getuigt van zijn buitengewoon grote vertrouwen in zijn Schepper. Want wanneer hij met gescheurde kleren en een kaal geschoren hoofd in het stof neerzit, verklaart hij:


Job 1:21 – Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.


Wat een misrekening was dat van Satan: in plaats van God in het gezicht te vervloeken, maakt Job de HEER geen enkel verwijt, maar looft hij, ondanks het grote onheil dat hem is overkomen, zelfs nog de naam van de HEER!


Jobs lichaam als inzet


Enige tijd later maken de hemelbewoners​ opnieuw hun opwachting bij de HEER, en ook ​Satan​ is er weer bij. En wederom vraagt God aan ​Satan of hij ook op Zijn dienaar ​Job​ heeft gelet? Want zoals Job is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en nog even onberispelijk als altijd. Echter, God is tegelijk boos op Satan, omdat hij Hem ertoe heeft aangezet Job zonder reden te gronde te richten.


Job 2:4-6 – Hierop zei ​Satan: ‘Zijn leven is hem alles waard. Daarvoor geeft hij zijn hele bezit. Maar als U Uw hand naar hem uitstrekt en zijn lichaam aantast, zal hij U ongetwijfeld in Uw gezicht ​vervloeken.’ Toen zei de HEER tegen ​Satan: ‘Goed, doe met hem wat je wilt, maar spaar zijn leven.’


Hierop vertrok ​Satan​ en overdekte ​Job​ van voetzool tot kruin met kwaadaardige zweren.

De pijn en de jeuk zijn verschrikkelijk. Job​ weet zich geen raad en pakt een potscherf om zich mee te krabben, terwijl hij in het stof en het vuil zit. “Vervloek God toch en sterf”, sneert zijn vrouw. Maar ​Job​ bestraft haar. “Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?” Ondanks alles zondigt ​Job​ niet en spreekt hij geen onvertogen woord.


Ook dit maal slaagt Satan niet in zijn opzet, en vervloekt Job God niet.


Jobs vrienden


Drie vrienden van ​Job, te weten Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma, alle drie afstammelingen van Ezau, hebben gehoord van de rampspoed die hun vriend heeft getroffen, en ze besluiten om hun medeleven te tonen en hem te troosten. Als ze ​Job​ vanuit de verte zien herkennen ze hem niet, maar als ze dichterbij komen en zien hoe hij eraan toe is, barsten uit in luid gejammer en ​scheuren​ ze hun ​kleren. Een week lang blijven ze naast hem op de grond zitten zonder iets tegen hem te zeggen.


Dan opent ​Job​ zijn mond en vervloekt hij de dag van zijn geboorte. Het is voor Jobs vrienden de aanleiding om hun gedachten met hem te delen. En hoe erg ze het ook vinden wat Job is overkomen, het weerhoudt hen er niet van om nog wat zout in Jobs wonden te wrijven, door te veronderstellen dat Job daar toch wel debet aan moet zijn, want God tuchtigt iemand niet voor niets. Tot driemaal toe proberen zijn vrienden, de één wat nadrukkelijker dan de ander, Job hiervan te overtuigen. Maar telkens weerspreekt Job hun betoog. Hij wil niet toegeven dat hij schuldig is aan de rampspoed die hem overkomen is en dat God hem straft voor zijn misstappen. Al snel moet Job concluderen dat hij van zijn vrienden geen troost te verwachten heeft.


Job 12:4 – Een mikpunt van spot ben ik voor mijn vrienden, terwijl ik God aanroep en op Zijn antwoord wacht!


Wat verlangt Job terug naar de dagen van weleer, toen de HEER nog over hem waakte, naar de tijd dat Gods ​lamp​ nog boven hem scheen en zijn weg verlichtte.


Elihu’s inzicht


Dan lezen we ineens over Elihu, de zoon van Barachel uit Buz. Even abrupt als hij ten tonele verschijnt, verdwijnt hij ook weer na zijn betoog. Waarschijnlijk is Elihu een familielid van Job. In tegenstelling tot Jobs vrienden, spreekt Elihu, ondanks dat hij de jongste is, wel juist over God. Zijn naam betekent dan ook heel toepasselijk: God is Hij. Elihu, die anders dan de drie vrienden Job bij zijn naam noemt, berispt Job en houdt hem voor dat het maar schijn is dat God niet luistert, dat de Ontzagwekkende geen aandacht voor hem heeft. Volgens Elihu antwoordt God wel degelijk, op vele manieren, zoals in dromen, een ziekbed, tegenspoed, het weer of door de wonderen in de schepping, alleen merkt de mens het niet op, omdat de mens de grootheid van de Ontzagwekkende niet kan bevatten vanwege Zijn kracht en Zijn recht.


Daarmee laat Elihu Job een aspect zien van Gods goedheid en waarheid dat Job niet eerder heeft onderkend. Jobs zwijgen na het betoog van Elihu is veelzeggend. Ongetwijfeld is Job over de woorden van Elihu blijven nadenken.


Gods antwoord


En dan antwoordt God Job vanuit een storm. Door middel van een ondervraging laat God Job inzien dat de grootheid van Zijn macht en kracht, Zijn wijsheid en kennis, Zijn oordelen en recht onmetelijk zijn en het menselijk verstand verre te boven gaan.


Job 38:4-33 – Waar was jij toen Ik de aarde grondvestte? (…) Wie stelde haar grenzen vast? (…) Wie sloot de zee af met een deur, toen ze uit de schoot van de aarde brak? (…) Heb jij ooit de dageraad zijn plaats gewezen? (…) Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt? Heb jij over haar diepste bodem gewandeld? Zijn de ​poorten​ van de dood aan jou getoond? (…) Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten? (…) Wie brengt de dauwdruppels voort? (…) Kun jij de Plejaden aan banden leggen of de ketenen van Orion losmaken? Kun jij de dierenriem op tijd laten schijnen en de Grote Beer met haar jongen de weg wijzen? Ken jij de wetten van de hemel? Kun jij jouw orde aan de aarde opleggen?


Met deze en nog vele andere vragen, maakt God Job duidelijk dat Hij, als de Schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen in hemel en op aarde (Kolossenzen 1:16), aan niemand verantwoording verschuldigd is.


Als Job Gods ondervraging heeft gehoord, kan hij niet anders dan met volle overtuiging erkennen dat er niets buiten Gods macht ligt en dat geen enkel plan voor Hem onuitvoerbaar is. Job verootmoedigt zich dan ook tegenover God en herroept zijn woorden.


Opmerkelijke parallellen


In wat Job overkomt liggen opmerkelijke parallellen met Israël. Want zoals Job alles kwijtraakte, zo verloor ook Israël alles (Ezechiël 7). En zoals Job alleen nog zijn leven behield, zo bleef er van Israël ook nog slechts een stronk over met een heilig zaad (Jesaja 6:11-13, 11:1). En zoals Jobs gezin zijn kinderen verloor, zo verloor ook Israël zijn kinderen in de diaspora. En zoals Job geteisterd werd en neerzat in het stof, zo werd ook het Joodse volk de eeuwen door gekweld en leidde het een kwijnend bestaan (Deuteronomium 28:65). En zoals Job door allen met afschuw werd bekeken, zo werd ook Israël door vreemde volken met afschuw aangezien (Deuteronomium 28:5; Jesaja 49:7). En zoals Job een mikpunt was van spot voor zijn vrienden, zo was ook Israël het mikpunt van spot voor de omringende volken (Jeremia 24:9; Nehemia 1:3). En zoals Jobs hoop was verdwenen en enkel nog duisternis hem omringde, zo was ook Israëls hoop vervlogen en zijn levensdraad afgesneden (Ezechiël 37:1-14). En zoals Job onherkenbaar was geworden, zo was ook Israël niet meer herkenbaar (Jeremia 9:18; Hosea 8:8). En zoals Jobs vrienden zijn lijden verergerden, zo werd ook Israëls lijden door de volken verzwaard (Zacharia 1:15). En zoals Job de HEER pas echt leerde kennen toen hij Hem met eigen ogen aanschouwde, zo zal ook Israël de HEER pas echt leren kennen als ze met eigen ogen hun Koning in al Zijn schoonheid zullen aanschouwen (Jesaja 33:17).


Onschuldig lijden


Job was niet zonder zonde en pretendeerde dat ook niet (Job 7:21). Israël was al helemaal niet zonder schuld en was zich daarvan op momenten ook heel bewust (Jesaja 59:12-13). Toch blijkt uit de dialoog tussen God en Satan dat al het leed dat Job overkomt geen straf is voor zijn misstappen. Het leed dat Job overkomt is dan ook vooral een onschuldig lijden. En geldt dat ook niet voor Israël (Psalm 35:7, 59:2-6, 69:5, 109:1-3)?


Psalm 44:12-27 – U hebt ons als slachtvee uitgeleverd, ons onder vreemde volken verstrooid (…) Dit is ons overkomen, maar wij zijn U niet vergeten, Uw verbond​ verloochenden wij niet, ons ​hart​ keerde zich niet van U af, onze voeten weken niet van Uw pad. Toch hebt U ons naar de jakhalzen verbannen en ons met diepe duisternis bedekt. Hadden wij de naam van onze God vergeten, onze handen uitgestrekt naar een vreemde god, zou God dit niet hebben ontdekt? Hij kent de geheimen van ons ​hart. Toch worden wij dag na dag om U gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.


Onbeantwoorde vragen


Dergelijke woorden kunnen ons behoorlijk in verwarring brengen. Want waarom moest Israël, net als Job, zoveel onschuldig lijden? Waarom greep God niet in? Moest Israël soms plaatsvervangend lijden voor de heidenvolken? Werden zij daarom dubbel gestraft (Jesaja 40:1-2)? Zou Paulus, indachtig de woorden uit Psalm 44:12-27, soms daarop doelen als hij de heidenen in Kolosse schrijft dat hij blij is dat hij, als Jood, nu voor hen, heidenen, lijdt en dat hij in zijn lichaam mag aanvullen wat er nog aan het lijden van Jeshua’s lijden ontbreekt (Kolossenzen 1:24)? Was het onbeschrijfelijke lijden van Israël dus nodig om Gods werken zichtbaar te laten worden?


Het zijn vragen die wij niet kunnen beantwoorden. Maar het zijn ook vragen waarvan wij de antwoorden niet zouden kunnen bevatten, zo leert Job, omdat wij de gedachten van de ​HEER niet kunnen peilen (Job 42:2-3). Alle schatten van wijsheid en kennis liggen in God, de Ontzagwekkende, verborgen (Kolossenzen 2:3). Zijn rijkdom, wijsheid en kennis zijn onuitputtelijk, Zijn oordelen ondoorgrondelijk en Zijn wegen onbegrijpelijk (Romeinen 11:33-36).


Gods trouw


Maar hoeveel vragen er ook onbeantwoord blijven, één ding weten we zeker: God laat niet los wat Hij eertijds is begonnen (Psalm 138:8). Hij blijft trouw voor eeuwig en zal alles wat Hij heeft beloofd vervullen op welke voor ons onnaspeurlijke wijze dan ook. De geschiedenis van Job bewijst dat. Terwijl Job dacht dat God niet meer begaan was met hem, bleek zijn Schepper dichterbij dan ooit. Hetzelfde geldt voor Israël, terwijl het volk meende dat de HEER hen had vergeten, dat Zijn ontferming aan hen voorbijging (Jesaja 63:15), bleek God dichterbij dan ooit.


Jesaja 63:9 – In al hun nood was ook Hijzelf in nood: zij werden gered door de Engel van Zijn tegenwoordigheid. In Zijn liefde en mededogen heeft Hij hen zelf verlost, Hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door.


Toen Job en Israël hun weg door donkere dalen moesten gaan en ze met diepe duisternis bedekt werden, leek de HEER verder weg dan ooit. Maar dat was slechts schijn, want de Vader was erbij. Hij beleefde zelf de angst en de pijn die zij ervoeren. Ten diepste beleefde de Vader hun angst en pijn toen Zijn enige Zoon Hem dodelijk bedroefd smeekte of het mogelijk was dat de ​beker​ aan Hem voorbij kon gaan, en toen Zijn geliefde Zoon, hangend aan het kruishout, het uitschreeuwde: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?


Een keer ten goede


Maar God bracht een keer in het lot van Job en Hij bracht een keer in het lot van Israël. Hij veranderde hun diepe duisternis in morgenlicht (Amos 5:8). Job kreeg het dubbele van wat hij eerder bezat. En ook voor Israël daagde het licht, toen op 14 mei 1948 de Joodse Staat Israël werd geproclameerd (Jesaja 66:7; Amos 9:14-15) en miljoenen Joden van over de hele wereld konden terugkeren naar het land van hun voorouders (Deuteronomium 30:3; Jeremia 30:3; Sefanja 3:20). En net als Job, zal ook Israël, zowel in materieel als immaterieel opzicht, dubbel schadeloos gesteld worden (Zacharia 9:12; Deuteronomium 26:19; Psalm 91:15; Sefanja 3:20). Daar laat God geen enkele onduidelijkheid over bestaan.


Jesaja 61:7De smaad die je verdiende loon werd genoemd, je schande wordt je dubbel vergoed. Daarom ​erven​ zij dubbel van het land en is eeuwige vreugde hun deel.


Paulus sloeg de spijker op de kop, toen hij de gelovigen uit de heidenen in Rome schreef:


Romeinen 11:33 – Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk Zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk Zijn wegen.


Bas van Twist, februari 2020


0 keer bekeken

© 2019 by Wachters.nu |  Voorwaarden  |   Privacyverklaring