‘ROOFDIER EN SLANG ZUL JE VERMORZELEN’



Meermaals wordt in de Bijbel gewaarschuwd voor de onzichtbare wereld van de machten van de duisternis, van de duivel en zijn engelen. Want voortdurend trachten die geestelijke machten ons op slinkse wijze en met list en bedrog te misleiden, zodat we vervreemd raken van de Vader en Zijn reddingsplan.


Efeziërs 6:12Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.


Vooral nu de wereldtijden ten einde lopen en Satan weet dat hem nog maar weinig tijd rest [Openbaring 12:12], is hij koortsachtig bezig om zijn kwade plannen ten uitvoer te brengen, om nog zoveel mogelijk mensen ten val te brengen [Mattheüs 7:13-14; Marcus 13:22; 1 Timoteüs 4:1-2; 1 Petrus 5:8].


Als ‘de heerser over de machten in de lucht [Efeziërs 2:2] en als ‘de heerser van deze wereld[Johannes 14:30] heeft Satan een niet te onderschatten macht. Dat maakte Jeshua al duidelijk in het hogepriesterlijk gebed.


Johannes 17:15 – Ik vraag niet of U hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of U hen wilt beschermen tegen de duivel.


Slang of cherub?


Satan komt van het Hebreeuwse woord sãtãn (שָׂטָן), dat tegenstander of aanklager betekent. Satan is de vorst van de gevallen engelen, de demonen. Hij is de bron van alle kwaad en heeft slechts één doel: afbreuk doen aan de glorie van God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde.


Over zijn listen en kwade bedoelingen lezen we al in Genesis 3. Satan wordt daar voorgesteld als de Slang, als de listigste onder alle dieren. Maar die vertaling doet geen recht aan wat daar staat. Allereerst is de Slang niet de listigste van alle dieren, maar van alle levende wezens (חַיַּ֣ת, chaya-kav). Daarnaast wordt in Genesis 3 gebruik gemaakt van beeldspraak. Een stijlfiguur die we vaker tegenkomen in de Bijbel. Zo kan het woord nachash (נָחָשׁ), dat in Genesis 3 wordt vertaald met de Slang, ook vertaald worden met de Schijnende. De wortel van nachash betekent namelijk schijnen of glanzen. En die vertaling is veel meer in overeenstemming met Ezechiël 28:12-17, waar Satan ‘een cherub’ wordt genoemd, die ‘leefde in Eden, in de tuin van God.


Het is dan ook veel aannemelijker dat de duivel zich aan Eva vertoonde als de Schijnende en niet als de Slang. Daarmee wordt het gelijk ook veel begrijpelijker waarom Eva zich zo gemakkelijk liet ompraten: het was een indrukwekkende engel die tot haar sprak, niet een geschubd reptiel. Daarentegen waren zijn valse woorden en misleidende vragen als de beet van een giftige slang [Psalm 140:4] en zijn val en vernedering als het stof likken van een slang die over de grond kruipt [Psalm 72:9; Jesaja 27:1; Micha 7:17].


Oordeel en belofte


De ongehoorzaamheid van de mens in het paradijs kon niet ongestraft blijven en daarom stuurde God ‘de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde, waaruit hij was genomen, te gaan bewerken[Genesis 3:23]. Het vreugdevolle leven van de mens verwerd tot een uitputtend gevecht om te overleven [Genesis 3:16-19].


Ook over Satan werd een oordeel uitgesproken – ik refereerde daar zojuist al aan. Een oordeel dat tegelijk een hoopvolle belofte inhield voor de gevallen mens.


Genesis 3:14-15 [EV] Toen zei God, de HEER, tot de Schijnende: Omdat je dit gedaan hebt, ben je vervloekt onder alle dieren, onder alle levende wezens op aarde. Op je buik zul je gaan en stof zul je eten, alle dagen van je leven. Ik zal vijandschap zetten tussen jou en tussen de vrouw, tussen jouw nakomelingschap en haar Nazaat. Hij zal jouw kop verpletteren, jij zult Zijn hiel verbrijzelen.


Uit de vrouw zou God een Nazaat laten voortkomen die finaal zou afrekenen met Satan.


Het woord זֶרַע (zèhra) – dat in de SV en NBG wordt vertaald met zaad en in de andere vertalingen met nageslacht – kan, afhankelijk van de context, zien op meerdere nakomelingen, maar ook op één specifieke nakomeling. Opmerkelijk genoeg wordt in geen enkele vertaling expliciet verwezen naar Hem, naar de Nazaat, waarop in Genesis 3:15 wordt gedoeld. En dat is kwalijk, want uit de Bijbel weten we dat met de Nazaat van de vrouw gedoeld wordt op Jeshua, de Zoon van God, geboren uit het volk door God geschapen, gemaakt en gevormd omwille van Zijn majesteit [Genesis 17:9, 17:21, 28:13; Deuteronomium 14:2; Leviticus 26:42; Jesaja 43:7].


Wanneer we vanaf Genesis 3:15 verder lezen in de Bijbel dan wordt duidelijk dat de Nazaat, Gods eniggeboren Zoon, pas definitief met Satan zou afrekenen, nadat Satan Hem, op een laaghartige manier, Zijn hiel zou hebben verbrijzeld. Met die beeldspraak wordt gedoeld op het grote lijden dat de Nazaat zou moeten ondergaan alvorens Hij Satan zijn kop zou vermorzelen [Jesaja 53; 1 Petrus 2:24]. Jeshua zou de overwinning op Satan immers behalen door de zonde van de gevallen mens op zich te nemen en daarvoor met Zijn leven te betalen [Romeinen 6:23]. Door Zijn opstanding uit de dood zou Hij Satan,de heerser over de dood[Hebreeën 2:14], namelijk overwinnen en zou Hij voor de gevallen mens de weg vrijmaken voor een leven zoals het was vóór de zondeval [1 Korintiërs 15:55].


Tegenstander


Uit de Bijbel weten we dat Satan, vóór zijn val, in hoog aanzien stond bij God, van wie hij grote macht had gekregen over de schepping. Hij werd ‘Morgenster’ genoemd, naar de planeet Venus die ’s morgens aan de oplichtende hemel staat, en ‘zoon van de dageraad[Jesaja 14:12]. In de Vulgaat, de Latijnse vertaling van de Bijbel, wordt hij Lucifer genoemd, wat licht-drager (lux ferre) betekent.


In het klaaglied dat de profeet Ezechiël moet aanheffen op de koning van Tyrus – die zich had verheugd over de val van Jeruzalem – wordt Satan niet alleen ontmaskerd als de onzichtbare macht achter deze Israël-vijandige koning, maar leren we ook meer over wie en wat hij oorspronkelijk was.


Ezechiël 28:12-17 [NBV/EV]Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een gezalfde cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door Mij neergezet op de heilige berg der goden, waar je wandelde tussen vurige stenen. Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen – tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg.


De uitzonderlijke positie die God Satan had toevertrouwd, maakte hem hoogmoedig, waardoor het kwaad vat op hem kreeg, en hij zijn wijsheid en luister verkwanselde [Ezechiël 28:17]. Hij werd een zondaar, een moordenaar en een aartsleugenaar. Hij werd zelf het kwaad [Johannes 8:44; 1 Johannes 3:8].


Jesaja 14:13-15 [NBV/EV] Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg van de hemelse samenkomsten. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste. Nee! Je daalt af in het dodenrijk, in de allerdiepste put.


Satan verslagen


Lucifers val deed hemel en aarde op zijn grondvesten schudden. Maar hij was niet de enige hemeling die tegen de Allerhoogste in opstand kwam. Een groot aantal engelen volgde hem [Openbaring 12:9]. Satan werd de vorst van deze gevallen engelen, deze demonen, en hij stelde over hen aanvoerders aan. Zij zijn ‘de heersers en de machthebbers van de duisternis, (…) de kwade geesten in de hemelsferen’, waarop Paulus doelt in Efeziërs 6:12.


Lucifer, de lichtdrager, werd Satan, de tegenstander. En God nam hem zijn erenaam af. Die gaf Hij aan wie hem werkelijk toekwam: Zijn Zoon, want uit liefde voor de Vader deed Hij wat de Vader wilde: het herstellen van de verstoorde relatie tussen Hem en de mensenkinderen [1 Timotheüs 2:4].


Maar daarvoor moest Zijn Zoon mens worden [Psalm 82; Johannes 1:18, 3:16, 3:18; 1 Johannes 4:9]. En het was het Joodse meisje Mirjam (מִרְיָם) dat de eer kreeg om Gods Zoon te baren. Daarvoor zou de ‘kracht van de Allerhoogste’ haar overschaduwen. Het kind dat ze zou baren zou daarom ‘heilig en Zoon van God’ worden genoemd [Lucas 1:34-35; Psalm 2:7]. En toen het kindje geboren was, noemde ze het Jeshua (ישׁוּע), wat in het Hebreeuws Hij-zal-redden betekent, zoals de engel Gabriël haar had opgedragen.


Als mens verheerlijkte Jeshua, de eniggeboren Zoon van God, met heel Zijn wezen Zijn hemelse Vader en openbaarde Hij de grootheid van God, de Vader. Hij deed dat door de schuld van alle mensen op zich te nemen, daarvoor met Zijn leven te betalen en door de dood te overwinnen [Jesaja 53:5-12; Lucas 9:22; Johannes 6:40, 20:17; Romeinen 5:15; 1 Petrus 2:22-24]. Wie dát geloven zullen vergeving krijgen van hun zonden. Ze zullen Hem toebehoren en samen met Hem deel krijgen aan het Koninkrijk dat komt [Handelingen 26:18].


Nog niet zichtbaar


Over wie Jeshua toebehoren heeft Satan geen macht meer, want alle engelen, machten en krachten zijn aan Hem onderworpen [1 Petrus 3:22].


Kolossenzen 2:15Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in de Messias over hen getriomfeerd.


Maar desondanks zijn de heersers en de machthebbers van de duisternis in deze laatste dagen van de wereldtijden nog altijd bezig om de mensen te misleiden en van God te vervreemden, zelfs meer dan ooit tevoren. Niet alleen kunnen we dat zelf constateren, maar dat is ook wat de Bijbel leert.


Hebreeën 2:8 – Doordat Hij alles aan Hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet onder Zijn gezag is gesteld. Dat alles aan Hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet.


Het is als de grootscheepse luchtlandingsaanval van de geallieerden op de kust van Normandië. Die landingsaanval op 6 juni 1944 bracht de nazi’s de beslissende slag toe, want het leidde uiteindelijk tot de bevrijding van West-Europa. Vandaar dat die dag ook de geschiedenis is ingegaan als D-Day (Decision-Day). Toch duurde het nog bijna een jaar voor de vijand capituleerde. Vanwege de hongerwinter die volgde, was voor veel Nederlanders dat laatste oorlogsjaar misschien nog wel het zwaarste. Pas op 5 mei 1945 kwam de bevrijding en kon de overwinning worden gevierd (V-Day, Victory-Day).


Met Jeshua’s sterven, opstanding en hemelvaart is Satan de beslissende slag toegebracht. Maar pas als Jeshua met hemelse majesteit terugkomt zal onze bevrijding zichtbaar en tastbaar worden.


De afrekening


De machten van de duisternis zullen er dan ook alles aan doen om de wederkomst te belemmeren. Op slinkse wijze zullen ze de heidenvolken opzetten tegen Israël, in een allerlaatste poging Gods volk alsnog te verdelgen en zijn land te bezetten [Psalm 83:4-5]. Want als het Joodse volk als entiteit niet meer bestaat en het niet langer woont in het Joodse land, waarom zou de Koning der Joden dan nog terugkeren?


Hoewel de heidenvolken zullen optrekken tegen Israël, zullen ze niet slagen in hun boze plannen [Psalm 2:1-3]. Dat zal blijken wanneer de Mensenzoon terugkomt en Hij Zijn volk zal bevrijden uit zijn benauwenis en Hij zal afrekenen met de machten van de hemel en de vorsten van de aarde [Jesaja 24:21-22]. God zal hun heerschappij afnemen en geven aan Zijn Zoon [Psalm 2:7-9, 110:1-2; Daniël 7:14; Johannes 1:14].


Lucas 1:33 – Tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan Zijn Koningschap zal geen einde komen.


Als de heidenvolken, en in het bijzonder de machtigen, rijken en heersers der aarde, dat allemaal zien gebeuren, zullen ze huiveren van ontzag [Jeremia 33:9].


Zij, die dachten alles naar hun hand te kunnen zetten en de Allerhoogste te kunnen evenaren, zullen sidderend uit hun schuilhoeken komen, vol ontzag voor de HEER, ze zullen beschaamd staan en beroofd van hun kracht, doof en met de hand op de mond. [Micha 7:16].


Zij, die zich verheugden op Israëls ondergang, zullen, net als Satan, als een slang kronkelen over de grond en stof likken en ten laatste vermorzeld worden [Micha 7:17; Psalm 35:26, 91:13].


Bas van Twist, augustus 2022

0 weergaven0 opmerkingen