SCHONE KLEREN



In Zacharia 3:1-10 lezen we over een wonderlijk visioen dat de profeet krijgt over de toekomst van zijn volk. Het visioen heeft iets weg van een tweeluik en is het vierde visioen van de acht die de HEER de profeet laat zien, ongeveer een jaar na de dringende oproep van de Perzische koning Cyrus aan alle Israëlieten in zijn rijk om terug te keren naar Jeruzalem en de Tempel te herbouwen [Ezra 1:2-3]. Een oproep waaraan duizenden Joodse ballingen gehoor geven.


In het droomgezicht is Zacharia aanwezig bij een hemelse raadsvergadering. Daarover lezen we vaker in de Bijbel [Job 1:6-12, 2:1-6; Psalm 82, 89:8; 1 Koningen 22:19-22]. Zo'n hemelse vergadering heeft vaak iets weg van een rechtszitting. Dat is ook in dit visioen het geval, waarin de Engel van de HEER de hemelse raadsvergadering voorzit.


In het eerste deel van het visioen ziet Zacharia hoe Jozua, de hogepriester uit die tijd, als beklaagde voor de Engel van de HEER is geleid. Satan, de genadeloze aanklager, schept er zichtbaar genoegen in om de misdaden van de beklaagde breed uit te meten, omdat hij weet dat hierop normaliter een zware straf zal volgen.


Maar het loopt anders. Compleet anders. Nog vóór Satan zijn requisitoir heeft beëindigd, valt de Engel van de HEER hem in de rede:


Zacharia 3:2De HEER zal je het zwijgen opleggen. De HEER, die Jeruzalem heeft uitverkozen, zal jou het zwijgen opleggen. Is deze Jozua niet een stuk zwartgeblakerd hout dat uit het vuur is weggerukt?


Daar heeft Satan niet van terug. Want Jozua was inderdaad door God uit het vuur weggerukt, uit de vuuroven van de Babylonische ballingschap, en teruggekeerd naar Jeruzalem [Judas 1:22-23].


Zacharia voelt de spanning in de vergadering oplopen.


Dan geeft de Engel van de HEER opdracht om Jozua zijn vuile kleren uit te trekken en hem in een nieuw, feestelijk gewaad te kleden. De hogepriester was namelijk ter zitting verschenen met onreine kleren. Hij was met schuld bekleed. De schandvlek op het priesterschap uit de periode voordat aan de herbouw van de Tempel werd begonnen, zat nog overal op zijn kleren.


En terwijl de hogepriester een nieuw en uiterst kostbaar gewaad wordt aangetrokken, hoort Zacharia de Engel van de HEER tegen Jozua zeggen:


Zacharia 3:4Hierbij reinig Ik je van alle schuld.


In zijn enthousiasme over die uitspraak roept Zacharia dat ze Jozua eigenlijk ook een nieuwe tulband om moeten doen. Ze doen het ook nog.


Ook Jozua kan zijn geluk niet op, want hoewel hij met schuld beladen was, heeft de Engel van de HEER hem van alle aanklachten vrijgesproken. Hij heeft hem zelfs een schitterend gewaad aangetrokken, zodat er níets meer is dat nog herinnert aan zijn zondige verleden.


Terwijl Satan woedend de hemelse rechtszaal verlaat, roept de Engel van de HEER Jozua op vanaf nu nog slechts in Gods wegen te wandelen.


Het is duidelijk dat de Engel van de HEER een prototype is van Gods Zoon, Jeshua, terwijl Jozua een representant is van het volk Israël.


Maar het visioen is nog niet ten einde en Zacharia kijkt vol verwachting toe hoe het verdergaat. Hij hoort hoe de HEER Jozua belooft Zijn Dienaar te sturen, ‘de Telg aan de stam van David[Zacharia 3:8]. Dat is de titel voor de door God beloofde Messías, weet Zacharia. Hij zal onwillekeurig gedacht hebben aan de woorden die de profeet Jeremia eerder voorzegde:


Jeremia 23:5-6De dag zal komen – spreekt de HEER – dat Ik aan Davids stam een rechtmatige Telg laat ontspruiten, die als Koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. Dan wordt Juda verlost en zal Israël in vrede leven.


De woorden van de HEER van de hemelse machten die dan volgen, ontroeren Zacharia zowaar nog meer:


Zacharia 3:9En in één enkele dag zal Ik dit land reinigen van alle schuld.


Het is een heilsbelofte die God Zijn volk eerder ook al heeft gegeven bij monde van de profeten Jesaja [Jesaja 44:22] en Jeremia [Jeremia 33:8, 31:34, 50:20], maar nu hoort Zacharia het zelf dat de HEER het volk zal reinigen van alle wandaden waarmee het tegen Hem gezondigd heeft.


Dan zegt de HEER tegen Jozua dat Hij een steen voor hem zal neerleggen, één enkele steen, waarop zeven ogen rusten en waarin God zelf iets zal graveren.


Wat graveert de HEER precies in de steen? Uit de context mogen we opmaken, dat de woorden die in de steen worden gegraveerd, de belofte inhouden dat God in één keer het land zal reinigen van alle schuld. Dat die belofte in steen wordt gegraveerd, betekent dat het niet uitwisbaar is, zoals ook Gods wetten en geboden zijn gegraveerd en niet uitwisbaar zijn [Exodus 31:18; 2 Korintiërs 3:7].


Dat zeven ogen op de steen rusten betekent dat God, bij het uitvoeren van Zijn heilsbelofte, niemand van Zijn volk en niemand van degenen die Hem liefhebben over het hoofd zal zien, al zouden ze wonen aan de uiteinden der aarde [2 Kronieken 16:9; Openbaring 5:4].


Zacharia zal begrepen hebben dat de steen zelf een metafoor is voor de Messiaanse vorst uit het geslacht van David, die God Zijn volk beloofd heeft te zullen zenden.


Wij mogen weten dat God de beloofde Messías heeft gezonden: Zijn geliefde Zoon, in wie Zijn luister schittert, door wie en voor wie Hij alles heeft geschapen, Zijn evenbeeld [Psalm 2:7; Lucas 1:26-35; Hebreeën 1:2-4; Kolossenzen 1:15-17]. God, de Vader, heeft Zijn eigen Zoon, uniek in Zijn wezen, naar de wereld gezonden om de verstoorde relatie met de mensenkinderen te herstellen, hen te redden en hen de waarheid te leren kennen, zoals de profeten lang vóór Zijn komst naar de wereld hadden voorzegd [1 Timotheüs 2:4; Jesaja 9:5-6, 11:1-5, 42:1-7; Jeremia 23:5-6].


Hij, Gods eigen Zoon, heeft de ​wandaden​ van Israël en die van de hele wereld op zich genomen en daarvoor met Zijn leven betaald [Jesaja 53; Galaten 1:4]. Maar Hij heeft de dood, het loon van de zonde, overwonnen [Mattheüs 20:19; Romeinen 6:23]! En daarmee heeft Hij voor wie Hem liefhebben en op Hem vertrouwen de weg vrijgemaakt voor het eeuwige leven, een leven in Zijn komende Koninkrijk [Johannes 6:40].


Jeshua, Gods Zoon, is die steen met die gegraveerde heilsbelofte, die door God als hoeksteen is bestemd, maar bij Zijn eerste komst door de bouwers werd afgekeurd [Psalm 118:22-23; Mattheüs 21:42-43; Handelingen 4:11; Romeinen 9:32-33; 1 Petrus 2:4-8]. Hij is die steen, die bij Zijn tweede komst van de berg zal afrollen en alle koninkrijken zal vernietigen, maar zelf zal worden tot een hoge berg die de aarde zal bedekken [Daniël 2:1-34].


Als voor Israël die ene Grote Verzoendag is aangebroken, die God aan Jozua heeft beloofd, dan zullen de Israëlieten elkaar ‘uitnodigen onder de wijnrank en onder de vijgenboom[Zacharia 3:10]. Ja, hun vreugde zal zó groot zijn, dat ze de gelovigen uit de heidenvolken zullen uitnodigen om in hun vreugde te delen [Jesaja 55:5; Openbaring 19:9].


Het zal hét moment zijn dat het land en volk van Israël tot Zijn bestemming zal zijn gekomen [Micha 4:4; 1 Koningen 5:5].


Tot die tijd aanbreekt, mogen wij onze hemelse Vader elke dag herinneren aan de hoopvolle toekomst die Hij Zijn volk heeft beloofd [Jeremia 29:11] – waarmee we de glorieuze wederkomst van Jeshua bespoedigen [2 Petrus 3:12].


Bas van Twist, april 2021

1,283 keer bekeken4 reacties