top of page

VERWACHTEN EN BESPOEDIGEN

Bijgewerkt op: 13 mei


Jesaja 62:6-7 [NBV/EV] Jeruzalem, Ik heb wachters op je muren gezet die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht. Jullie (wachters) die de HEER herinneren (aan Zijn beloften), gun jezelf geen rust en gun Hem evenmin rust, totdat Hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest en haar roem op aarde heeft bevestigd.

 

Soms komen bekende teksten binnen alsof ze nieuw zijn. Ik had dat onlangs bij de overbekende tekst hierboven, en wel toen ik de brieven van Petrus las. Hieronder wil ik dat toelichten, want wat Petrus in zijn brieven schrijft, spreekt niet alleen tot de verbeelding, maar maakt eens te meer duidelijk hoe onvoorstelbaar groot de opdracht is die de Messías, bij monde van Jesaja, geeft [www.wachters.nu/reikhalzend-kijk-ik-naar-u-uit].


Simon Petrus

 

Simon – wat ‘hij die hoort’ betekent – was één van de vertrouwelingen van Jeshua, en samen met Andreas, zijn broer, ook één van de eerste volgelingen. Andreas was aanvankelijk een discipel van Johannes de Doper, maar toen Johannes Jeshua aanwees als ‘het Lam van God’, ging hij Jeshua volgen. Toen hij zijn broer enthousiast vertelde dat hij de langverwachte Messías had gevonden, ging Simon met hem mee. Toen ze bij Jeshua aankwamen, hoefde hij zich niet eerst voor te stellen, want Jeshua bleek hem al te kennen, zo blijkt uit Zijn begroeting:

 

Johannes 1:42 Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas (Petrus) heten.

 

De naam Petrus (petros) – de Griekse variant van het Aramese Kefas – betekent zoveel als ‘kiezelsteen’. De vrouwelijke variant Petra (petra) daarentegen heeft de betekenis van ‘rots’ of eigenlijk ‘rotsachtige berg’. 

 

In Mattheüs 16 komen we de combinatie van beide woorden tegen. Jeshua vraagt daar aan de discipelen: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ Ze vertellen Hem dat sommigen denken dat Hij Johannes de Doper is, maar dat er ook zijn die menen dat Hij Elia of één van de andere profeten is. 

 

Als Jeshua hun vraagt wie zij denken dat Hij is, antwoordt Petrus: ‘U bent de Messías, de Zoon van de levende God.’ Omdat Petrus dat antwoord geeft, prijst Jeshua hem gelukkig, want het is de Vader in de hemel zelf die hem dát heeft geopenbaard.

 

En het is in die context dat Jeshua tegen hem zegt: ‘jij bent petros, maar op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen’. Niet op de impulsieve Petrus zelf, maar op zijn belijdenis dat Jeshua, de Messías, de Zoon van de levende God is, bouwt Jeshua Zijn Gemeente.

 

Bij belangwekkende aangelegenheden is Petrus vaak woordvoerder en initiatiefnemer. Door zijn directe manier van doen is hij soms een man van uitersten, maar altijd met een hart van goud [Marcus 8:29-33; Marcus 9:5-6; Johannes 13:6-9].

 

Naast visser, discipel en later apostel is Petrus ook een echte familieman. Hij is getrouwd en woont met zijn schoonmoeder en zijn broer Andreas in Betsaïda, een vissersdorp aan de oever van het Meer van Galilea [Johannes 1:35-44; Lucas 4:38-39]. Van Paulus weten we dat Petrus zijn vrouw ook meenam op zijn reizen naar zijn volksgenoten in de diaspora [1 Korintiërs 9:5].

 

Uit de overleveringen is verder bekend dat Petrus in 44 AD in Jeruzalem gevangen heeft gezeten [Handelingen 12]. In 51 AD is hij aanwezig bij de vergadering waarover we in Handelingen 15 lezen. Een jaar later voegt hij zich bij Paulus in Antiochië [Galaten 2:9]. Zeer waarschijnlijk is Petrus, op last van de wrede keizer Nero, tijdens de vervolgingen (64-67), in Rome gevangengenomen, gemarteld en gekruisigd. Dat hij een martelaarsdood zou sterven, was Petrus bekend, want dat had Jeshua hem verteld.

 

Johannes 21:18-19 – Waarachtig, Ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.’ Met deze woorden duidde Hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God. Daarna zei Hij: ‘Volg mij.’

 

En Petrus volgde Hem, getrouw aan de opdracht van zijn Heer. Hij volgde Hem, tot eer van de Vader [Marcus 16:15].

 

De dag van de HEER

 

Kort vóór zijn dood schreef Petrus zijn twee brieven, die de vreugde en wijsheid uitstralen van deze bijzondere man.

 

Petrus schrijft zijn brieven ‘aan de uitverkorenen die als vreemdelingen verspreid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië verblijven, door God, de Vader, voorbestemd om, geheiligd door de Geest, gehoorzaam te zijn aan Messías Jeshua en met Zijn bloed besprenkeld te worden [1 Petrus 1:1-2]. Want zoals aan Paulus de verkondiging van het evangelie aan de heidenen is toevertrouwd, zo is dat aan Petrus toevertrouwd met betrekking tot de Joden in de verstrooiing [Galaten 2:7-8].

 

In zijn tweede brief aan zijn volksgenoten gaat hij uitgebreid in op de dag van de HEER. Hij wijst hen in dat verband verschillende malen op de belangrijke woorden van de profeten [2 Petrus 1:19, 3:2].

 

Ook wijst hij hen op de spotters die er in de laatste dagen zullen komen en die smalend de wederkomst van Jeshua in twijfel zullen trekken, menende dat ze aan het oordeel kunnen ontkomen. Maar Petrus rekent af met deze dwaling door erop te wijzen dat de wereld door Gods woord al eens overspoeld is door water en dat dit straks op een vergelijkbare manier zal gebeuren door vuur.

 

Indachtig de woorden van Mozes, houdt Petrus zijn volksgenoten voor dat voor God één dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag [Psalm 90:4], en dat Hij niet traag is met het nakomen van Zijn beloften, maar dat Hij slechts geduld heeft met hen, opdat zij allen tot inkeer zullen komen en niemand van hen verloren gaat.

 

De dag van de Heer zal komen als een dief’, schrijft Petrus. Uiteraard niet voor hen die de Heer verwachten, maar voor de spotters die Zijn wederkomst loochenen [1 Thessalonicenzen 5:4].

 

In zijn tweede brief beschrijft Petrus beeldend hoe het er op die laatste dag aan toegaat.

 

2 Petrus 3:10-12 [EV] (…) Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur ontbonden worden, ook de aarde en alles wat daarop gedaan is, zal worden blootgesteld. Als dit alles zo ontbonden wordt, hoe heilig en godvruchtig moet u dan leven, verwachtende en bespoedigende de dag van God, ter wille waarvan de hemelen in vlammen ontbonden zullen worden en de elementen door vuur uiteen zullen vallen.

 

Op basis van deze woorden wordt er veelal van uitgegaan dat hemel en aarde door vuur zullen vergaan en de huidige schepping wordt beëindigd en vervangen. Maar dat is niet wat Petrus bedoelt. Het vuur is er niet om te vernietigen, maar om te reinigen, zoals goud dat in vuur wordt gelouterd.

 

Zoals de wereld eerder door water is schoongespoeld, zo zal de wereld straks door vuur worden gereinigd [2 Petrus 3:6-7]. Er komen dus geen nieuwe hemel en aarde, maar een vernieuwde (kainos) hemel en aarde [2 Petrus 3:13].

 

Dat is ook wat Paulus leert in zijn brief aan de gelovigen in Rome:

 

Romeinen 8:21 –  (…) omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.

 

God had de aarde aan de mensen gegeven, het werk van Zijn handen aan hen toevertrouwd [Genesis 1:26-28; Psalm 8:5-7, 115:16]. Maar omdat de mens zijn eigen gang ging en de relatie met zijn Schepper verbrak, viel ook de schepping ten prooi aan zinloze vergankelijkheid. De schepping wordt dus bevrijd, niet vernietigd. Na de barensweeën komt de verlossing [Mattheüs 24:8; Romeinen 8:22].

 

In de Bijbel staat vuur dikwijls voor oordeel en reiniging tegelijk [Maleachi 3:17-21; Mattheüs 3:12, 7:19]. Zoals in de gelijkenis die Jeshua vertelt over het onkruid op de akker [Mattheüs 13:24-30]. Op verzoek van de discipelen legt Jeshua de betekenis van deze gelijkenis uit.

 

Mattheüs 13:37-43 – (…) Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon, de akker is de wereld, het goede zaad dat zijn de kinderen van het Koninkrijk; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad, de vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld en de maaiers zijn de engelen. Zoals het onkruid bijeengebonden wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de Mensenzoon zal Zijn engelen eropuit sturen, en ze zullen uit Zijn Koninkrijk allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht bijeenbrengen en hen in de vuuroven werpen; daar zullen ze jammeren en knarsetanden. Dan zullen de rechtvaardigen in het Koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Laat wie oren heeft goed luisteren!

 

Onze wereld zal dus door vuur heen worden geoordeeld, radicaal worden gereinigd en worden vernieuwd. Niets van hetgeen waarop de mens zijn zekerheid bouwt, zoals bezit, status en ordening, is blijvend.


Kosmische loutering

 

Petrus gaat in zijn beschrijving van de gebeurtenissen op de laatste dag verder dan bijvoorbeeld Paulus [Galaten 4:3; Kolossenzen 2:8], want Petrus beschrijft niet alleen de ontbinding van onze wereldse ordening, maar ook die van de hemelsferen en de elementen.

 

Het Griekse woord stoicheia, dat hier vertaald is met elementen, ziet op de materiële fundamenten van het universum. Volgens Petrus worden dus niet alleen de wereldse structuren ontmanteld, maar zelfs de kosmos.

 

Als Petrus erop wijst dat ‘ook de aarde en alles wat daarop gedaan is, zal worden blootgesteld, dan is duidelijk dat hij doelt op al het kwaad dat daarop is gedaan. Degenen die dat kwaad hebben gedaan en veroorzaakt hebben, zullen op die grote dag hun straf niet ontlopen.

 

Eeuwen vóór Petrus, profeteerde ook Jesaja daar al over.

 

Jesaja 24:21 – Op die dag zal de HEER afrekenen in de hemel met de machten van de hemel, en op aarde met de vorsten van de aarde.


Jesaja 66:11 – De HEER zal komen in een vuur, met Zijn wagens als een wervelstorm. Hij komt Zijn toorn uitvieren in vlammen, Zijn dreiging in een vuurgloed.


Niet alleen met de duivel en zijn engelen zal God op de laatste dag van de wereldtijden afrekenen, ook met de aardse heersers en machten. God zal hun goddeloze wereldbestel als een kaartenhuis laten instorten. In één uur tijd zal het gedaan zijn met hun heerschappij, aanzien en rijkdom, vanwege het vele bloed dat ze op aarde hebben vergoten en vanwege het kwaad dat ze Gods volk hebben aangedaan [Ezechiël 39:1-8; Joël 4; Openbaring 18].

 

Heilige levenswandel

 

En in die context wijst Petrus zijn volksgenoten op hun levenswandel. Want als heel de schepping ten prooi is gevallen aan het kwaad en daarom door vuur ontbonden moet worden, hoe godvruchtig moeten zij dan wel niet zijn op wat wél blijft [2 Petrus 3:11-12]?


Tijdens zijn reizen heeft Petrus klaarblijkelijk vooral vrome Joden ontmoet, want hij refereert aan hun heilige levenswandel en hun uitzien naar de Messías. Hij houdt zijn volksgenoten dan ook níet voor dat ze anders moeten gaan leven, maar zich moeten ‘inspannen om smetteloos, onberispelijk en in vrede’ te leven, want alleen zo’n leven is bestand tegen het vuur [2 Petrus 3:14].

 

En daarom drukt hij – middels een retorische vraag – zijn volksgenoten op het hart een heilig leven te leiden, een leven naar Gods wil, en niet een leven dat ergens nog verankerd is in aardse schijnzekerheid [1 Petrus 4:2; 1 Johannes 2:17].

 

Uitgekozen en geheiligd

 

God heeft Israël uitgekozen en geheiligd. Hij heeft het volk van Jacob apart gezet van alle andere volken om Zijn kostbaar bezit te zijn [Deuteronomium 7:8]. En Hij wil dat dit zichtbaar is in hun dagelijkse leven.

 

Leviticus 20:26 – Wees heilig omwille van Mij, want Ik, de HEER, ben heilig en Ik heb jullie van de andere volken onderscheiden om Mijn volk te zijn. 

 

De HEER vraagt van Zijn volk als het ware een leven te leiden dat past bij de komende wereld. En daarmee legt Hij voor Zijn volk de lat veel hoger dan voor de andere volken – met alle consequenties van dien [Jeremia 16:17-18].

 

Om heel andere redenen doet de wereld dat trouwens ook, omreden waarvan de Joodse staat vele malen meer wordt veroordeeld dan welk ander land dan ook.

 

Verwachten en bespoedigen

 

Petrus vervolgt zijn retorische vraag omtrent de heilige levenswandel van zijn volksgenoten met de woorden: ‘verwachtende en bespoedigende de dag van God’.

 

Dat de lezers van Petrus’ brieven de dag van God verwachten, begrijpen we, maar hoe zouden zij die dag ooit kunnen bespoedigen? Leert Petrus zelf niet dat God eigenmachtig is voor wat betreft het moment waarop Zijn Koninkrijk aanbreekt [2 Petrus 3:9]?

 

Deze vragen zullen ongetwijfeld gespeeld hebben bij de Statenvertaling (SV) en de NBG. Zo heeft de NBG gekozen voor: ‘vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag Gods’ en de SV voor: ‘Verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods’.

 

Ondanks hun verschil in bewoording en strekking zijn beide vertalingen te verdedigen. Dat komt door de betekenisruimte van speudontas (van het werkwoord speudo), dat zowel ‘zich haasten naar’ als ‘iets bespoedigen’ kan betekenen. Omdat het een tegenwoordig deelwoord is, kan het in de vertaling zowel bijvoeglijk worden weergegeven (zoals in de NBV en de Willibrordvertaling) als meer werkwoordelijk, als onderdeel van het gezegde (zoals in de SV en de NBG).

 

Petrus houdt zijn volksgenoten hier dus ook voor dat zij met een heilige levenswandel de dag van God bespoedigen. Hij zegt niet dat ze de klok van de wereldtijden vooruit kunnen zetten, maar hij zegt daarmee wel dat hun heilige levenswandel een onderdeel is van Gods plan om de geschiedenis naar een voltooiing te brengen. Een heilig leven leiden maakt verschil, het telt mee, maar God blijft soeverein.

 

Vergelijk het met bidden. Gebed is niet nodig omdat de Vader iets mist [Mattheüs 6:8], maar omdat Hij ervoor gekozen heeft ons niet te missen in wat Hij doet.

 

Petrus zal bij het schrijven ongetwijfeld ook gedacht hebben aan het gebed van de profeet Habakuk, waarmee zijn volksgenoten in de diaspora bekend waren.

 

Habakuk 3:2 – HEER, ik heb Uw aankondiging gehoord. Voor wat U gaat doen, HEER, heb ik ontzag. Breng het in deze tijd tot stand, maak het in deze tijd bekend, maar toon Uw mededogen als het tumult losbarst.

 

Petrus leert dus dat Israëls levenswandel mede bepalend is voor het aanvangen van de dag van God, voor het aanbreken van Zijn Koninkrijk, voor het moment dat het eeuwige leven zichtbaar wordt [1 Korinthiërs 15:54].

 

Wat Petrus hier leert is trouwens niet iets nieuws. Uit de Bijbel weten we dat in de tijd van Jeshua die gedachte breed gedragen werd in Israël. Er was in die tijd een grote groep mensen, waaronder Simeon en Hanna, die uitzagen ‘naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken[Lucas 2:25, 38]. Zij vereerden God en geloofden dat de bekering van het volk samenhing met de komst van de Messias.

 

Deze gedachte ligt overigens volledig in lijn met wat God, bij monde van de profeten, het volk voorhoudt.

 

Joël 2:11-13 – Ja, groot en ontzagwekkend is de dag van de HEER, wie kan die dag doorstaan? Daarom – spreekt de HEER –, keer nu terug tot Mij met heel je hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen. Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de HEER, jullie God, want Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.

 

Meermaals lezen we dat als Israël van zijn dwaalwegen terugkeert tot God, Hij Zijn volk vergeving en genezing zal brengen.

 

2 Kronieken 7:13-14 – Wanneer Ik de hemel gesloten houd zodat er geen regen valt, of de sprinkhanen beveel het land kaal te vreten, of pest onder Mijn volk laat uitbreken, en wanneer dan Mijn volk, het volk dat Mij toebehoort, het hoofd buigt, al biddend Mijn aanwezigheid zoekt en terugkeert van zijn dwaalwegen, dan zal Ik het aanhoren vanuit de hemel, zijn zonden vergeven en het land genezen.

 

Als het volk terugkeert van zijn dwaalwegen en de HEER weer met hart en ziel gaat zoeken, dan belooft Hij het volk weer te maken zoals Hij het bedoeld heeft: als het volk aan Hem gewijd [Deuteronomium 30:1-6]. En wat God Zijn volk belooft, doet Hij gestand [Jeremia 33:14].

 

Deuteronomium 28:9 – De HEER zal Zijn plechtige belofte gestand doen en u tot een volk maken dat aan Hem is gewijd.


Nationaal geladen

 

Gods oproep, bij monde van de profeten, om naar Hem terug te keren, is overigens altijd nationaal geladen. Niet alleen in het Eerste Verbond, ook in het Vernieuwde Verbond, te beginnen bij Johannes de Doper.

 

Mattheüs 3:2 Kom tot inkeer, want het Koninkrijk van de hemel is nabij!

 

Johannes roept hier niet de individuele Israëliet op tot bekering. Nee, zijn oproep gaat heel het volk aan. Dat geldt ook voor de oproep van Petrus. Als het volk in de zuilengang van Salomo toestroomt na de wonderbaarlijke genezing van de verlamde bedelaar, spreekt Petrus zijn Joodse broeders en zuster aan met ‘Israëlieten’ en ‘volksgenoten’ en roept hij hen op met de woorden:

 

Handelingen 3:19-20 [EV] Bekeer u daarom en keer terug, opdat uw zonden worden uitgewist, zodat er tijden van herleving mogen komen van het aanschijn van de Heer, en opdat Hij de voor u aangewezen Messias Jeshua mag zenden.

 

Petrus legt hier opnieuw een verband tussen Israëls bekering en de wederkomst van de Messías: ‘Bekeer u (…) opdat Hij de voor u aangewezen Messias Jeshua mag zenden’. Het aanbreken van Gods Koninkrijk is volgens Petrus dus mede afhankelijk van Israëls bekering.

 

‘Laat Uw Koninkrijk komen’

 

Op een andere manier zien we dit terugkomen in het gebed dat Jeshua de discipelen leert bidden [Mattheüs 6:9-15]. Daar komt de zin voor: ‘Laat Uw Koninkrijk komen’. Daarmee wordt de Vader impliciet gevraagd een einde te maken aan onze wereldorde, want alleen dán kan immers Zijn heerschappij worden gegrondvest. Bidden om Gods Koninkrijk is bidden om het aanbreken van de dag van de HEER.

 

En net als Zijn leerling Petrus dat doet in zijn brieven, zo verbindt Jeshua de komst van Gods Koninkrijk aan de roep van Zijn volk. Het is een ‘bespoedigen’ in gebedsvorm.

 

In de Bijbel komen we de combinatie van inkeer, gebed en vervulling regelmatig tegen [Jeremia 33:3; Daniël 9:2-19; Joël 2; Sefanja 2:1-3; Hosea 14:2-9]. Hoewel Gods belofte vaststaat, is gebed en terugkeer tot de Vader een onderdeel van de vervulling ervan. De Vader wil dat Zijn kinderen Hem vragen om het goede dat Hij hun belooft, zodat Hij hen dat kan geven.

 

Jeremia 29:10-14 [NBV/EV] – Dit zegt de HEER: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal Ik naar jullie omzien. Dan zal Ik Mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren. Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: Ik zal je een hoopvolle toekomst geven. Jullie zullen mij aanroepen en tot Mij bidden, en Ik zal naar jullie luisteren. Jullie zullen Mij zoeken en ook vinden, wanneer jullie Mij met hart en ziel zoeken. Ik zal Me door jullie laten vinden – spreekt de HEER – en Ik zal in je lot een keer brengen. Ik zal jullie samenbrengen uit alle volken en plaatsen waarheen Ik je verbannen heb – spreekt de HEER – en je laten terugkeren naar Jeruzalem, waaruit Ik je heb laten wegvoeren.

 

Zelfs als maar één van Zijn kinderen met hart en ziel schuld belijdt, zal God redding brengen en doen wat Hij heeft beloofd [Ezechiël 22:30]. Een prachtig voorbeeld daarvan komen we tegen bij Daniël, wanneer hij, naar aanleiding van de tekst uit Jeremia hierboven, pars pro toto schuld belijdt namens het volk.

 

Daniël 9:3-10Ik wendde mij tot God, de Heer, en gaf me over aan gebed en smeekbeden, al vastend en rouwend. Ik bad tot de HEER, mijn God, en beleed schuld: ‘Heer, grote en geduchte God, die Zijn beloften nakomt en trouw is aan wie Hem liefhebben en doen wat Hij gebiedt; wij hebben gezondigd en ons misdragen. Wij zijn slecht en opstandig geweest, wij zijn van Uw geboden en regels afgeweken en wij hebben niet geluisterd naar Uw dienaren, de profeten, die in Uw Naam tot onze koningen, onze vorsten, onze oudsten en tot het hele volk gesproken hebben. (…) Heer, luister naar ons! Heer, vergeef ons! Heer, verhoor ons gebed! Wacht niet langer en grijp in, mijn God, ook omwille van Uzelf, want Uw Naam is verbonden aan Uw stad en aan Uw volk.’


En terwijl hij nog spreekt, verschijnt Gods trouwe boodschapper Gabriël aan Daniël om hem een helder inzicht te geven in Zijn reddingsplan met Jeruzalem en het volk van Jacob [Daniël 9:20; Jesaja 65:24].

 

Onderdeel Gods heilsplan

 

Hoewel de bekering van Israël een onderdeel is van de dag van God en het aanbreken daarvan, is alleen de Vader bekend met het moment waarop die dag aanbreekt [Mattheüs 24:36]. Vergelijk het met een vader die tegen zijn kinderen zegt: ‘We vertrekken als iedereen in de auto zit.’ De vader weet wanneer hij wil vertrekken, maar het instappen van de kinderen hoort bij het plan.

 

Daarom kan Petrus tegen zijn volksgenoten in de diaspora zeggen dat ze het aanbreken van Gods Koninkrijk bespoedigen als ze een heilig leven leiden, een leven naar Gods wil, en daarbij (actief) uitzien naar de dag van God.

 

Voor Israël is dit niet iets nieuws, zoals we hiervoor zagen, voor het volk van Jacob is het verbondstaal – en daarmee adembenemend groot.

 

Een heilig leven leiden is niet alleen een voorbereiding op de toekomst – het is een onderdeel van Gods plan om die toekomst dichterbij te brengen.

 

En omdat deze wereld, zoals hij nu is, niet blijvend is, moet Israëls leven nu al gevormd worden door de komende wereld, zichtbaar in een heilige levenswandel, een leven gericht op de Vader. Dat leven is niet passief wachten, maar actief deelnemen aan de laatste fase van Gods plan.

 

Geschonden vertrouwen

 

Dat op zich past volledig in Zijn plan met de mens, want vanaf het begin was het Gods bedoeling dat de mens met Hem ging samenwerken [Psalm 8:4-9, 115:16]. Aan de mens delegeerde God immers de zorg voor de aarde [Genesis 1:26-28]. Maar de mens verzaakte wat de Schepper hem had toevertrouwd. Hij misbruikte de grote verantwoordelijkheid die God hem had gegeven. Hij verbrak de relatie met zijn Schepper, menende het zelf allemaal beter te kunnen en te weten.

 

De zorg voor de aarde en de eerbied voor het leven werden verruild voor uitbuiting en eigenbelang. Maar zo had God het níet bedoeld. Daarom spoelde Hij de aarde schoon en begon Hij opnieuw met Noach en zijn gezin.

 

We hebben gezien wat ervan terecht is gekomen. Weer ging het fout, want opnieuw wendde de mens zich af van zijn Schepper die hem alles had gegeven.

 

Desondanks liet God het werk van Zijn handen niet los. En Hij besloot de aarde en de mensen daarop te redden. Daarvoor formeerde Hij een volk dat aan Hem gewijd zou zijn [Deuteronomium 7:6, 14:2]. Uit dát volk zou Hij de Redder van de wereld doen voortkomen.

 

Gods liefde voor de gevallen mens ging zo ver dat Hij Zijn enige Zoon als mens naar de wereld zond om verzoening te brengen. Als een Ben Jisraeel, een zoon van Israël, werd Hij geboren. En met Zijn leven betaalde Hij de prijs voor de verzoening van Zijn volk, ja, voor die van alle mensen.

 

Maar daar bleef het niet bij, want na drie dagen stond Jeshua op uit de dood en maakte hij de weg vrij voor een eeuwig leven, voor een leven in het Koninkrijk van Zijn Vader [1 Johannes 4:9-10].

 

Straks komt Jeshua terug met grote macht en hemelse heerlijkheid. Dan zal Hij alles herstellen en weer maken zoals de Vader het bedoeld had, toen Hij met en voor Zijn geliefde Zoon alles schiep.

 

Herinneren

 

Dankzij het volbrachte werk van Gods Zoon mogen wij, vrijmoedig en soms met knikkende knieën, Gods beloften proclameren en daarmee voor Israël in de bres staan [Jesaja 62:6-7].

 

Door de Vader te herinneren aan Zijn beloften, verheerlijken we Zijn Naam en zegenen we Israël met Gods eigen woorden.

 

Ezechiël 36:24-27 – Ik leid jullie weg bij die volken, Ik breng jullie bijeen uit die landen en laat je naar je eigen land terugkeren. Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie Mijn Geest geven en zorgen dat jullie volgens Mijn wetten leven en Mijn regels in acht nemen.

 

God vervult wat Hij heeft beloofd. En in onze dagen doet Hij dat met grote haast [Jesaja 60:22]. Maar niet zonder Zijn volk daarvan een onderdeel te laten zijn, want juist om Zijn majestueuze plan te voltooien heeft Hij hen geschapen, gemaakt en gevormd [Jesaja 43:7].

 

Gods plan met deze wereld staat vast, maar Hij heeft ervoor gekozen Israëls gehoorzaamheid mee te laten tellen in hoe Zijn plan zich ontvouwt. Israëls levenswandel is dan ook onderdeel van de wijze waarop de Vader de wereld naar de voltooiing brengt. Gods volk werkt zodoende mee aan de komst van de nieuwe wereld. En dát zal de komst van Gods Koninkrijk bespoedigen.

 

Jesaja 30:15 – Dit zei God, de HEER, de Heilige van Israël: ‘In rust en inkeer ligt jullie redding, in geduld en vertrouwen ligt jullie kracht.’

 

Met dank aan Petrus, mogen we nóg meer de relevantie zien van de opdracht die de Messías in Jesaja 62:6-7 geeft. Want door de Vader te herinneren aan Zijn beloften om Zijn Volk terug te brengen naar het land en hen terug te brengen naar Hem [Jesaja 49:5-6], werken wij mee aan de vervulling van een onmisbaar onderdeel van Gods plan met de wereld en daarmee aan de bespoediging van het aanbreken van Zijn Koninkrijk.

 

Bas van Twist, mei 2026

1 opmerking


Dankjewel Bas!! Duidelijk!!!

Like
bottom of page