“…VOORDAT DE WERELD BESTOND”

Bijgewerkt op: apr 3


De discipelen hadden heel de maaltijd al het gevoel dat er iets stond te gebeuren. Dat begon al aan het begin, toen Jeshua hen vertelde dat Hij er hevig naar had verlangd dit pesachmaal met hen te eten [Lucas 22:15]. Zijn opmerkingen gaven hen een onbestemd en onrustig gevoel, alsof dit echt Jeshua’s laatste pesachmaal met hen was [Mattheüs 26:29]. En dan was er tijdens de maaltijd nog dat bijzondere voorval, waarbij hun Meester hen de voeten ging wassen.


Veel van wat Hij tijdens de maaltijd vertelde, begrepen ze niet. Hoe zou één van hen Hem ooit kunnen verraden en uitleveren [Mattheüs 26:21]? Het maakte hen verdrietig om hun Meester zo te horen spreken. En waar ging Hij naartoe dat ze Hem niet zouden kunnen vinden? Wat bedoelde Hij toen Hij zei: “Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij”? En zou de Geest, die Hij hun beloofde, hen werkelijk alles leren wat Hij hen vertelde?


Ineens sprak Hij niet meer in beelden, maar vertelde Hij onomwonden dat Hij bij de Vader vandaan naar de wereld was gekomen, en nu op het punt stond om de wereld weer te verlaten om terug te keren naar de Vader. Ze geloofden wat Hij zei, maar konden het niet bevatten.


En nu waren ze getuigen van Zijn gebed tot de Vader. Nooit eerder hadden ze Hem zo intiem horen spreken met de Vader. Hij sprak alsof Hij alles al volbracht had, dat Hij op aarde de grootheid van de Vader had getoond door het werk te volbrengen dat Hij van de Vader opgedragen had gekregen.


Voordat de wereld bestond


Dankzij Johannes zijn ook wij een beetje getuige van wat Jeshua Zijn leerlingen allemaal verteld heeft tijdens het pesachmaal [zie Johannes 13 t/m 17]. Het is vooral ontroerend om te lezen wat Jeshua met de Vader besprak. Terwijl Hij de lijdensweg nog moet afleggen, vraagt Hij de Vader om weer in Zijn aanwezigheid te mogen zijn.


Johannes 17:5 – Vader, verhef Mij nu tot Uw majesteit, tot de grootheid die Ik bij U had voordat de wereld bestond.


Pas enkele jaren geleden viel het mij op dat Jeshua de Vader vraagt om Hem te verheffen tot de grootheid die Hij bij de Vader had “voordat de wereld bestond.” Waarom tot de grootheid van toen de wereld nog niet bestond? vroeg ik me af. Waarom niet tot de grootheid die Hij had tot het moment dat Hij als mens naar de wereld kwam? Toen was Hij toch ook in de heerlijkheid bij de Vader?


Mogen we uit de vraag van Jeshua afleiden dat de grootheid die Hij bij de Vader had tot het moment dat Hij als mens naar de wereld kwam, anders was dan de grootheid die Hij had voordat de wereld bestond?


Dat de Zoon al bij de Vader was voordat de wereld bestond, kunnen we meerdere keren lezen in de Bijbel. Het volgt al uit de eerste woorden. In Genesis 1:1 lezen we: “In het begin schiep God de hemel en de aarde.” Maar in plaats van “in het begin” [ברשית, be-re-sjiet] kunnen we hier ook lezen: “Met de eersteling schiep God de hemel en de aarde.” En legt Paulus niet uit dat de Zoon deOorsprong is (…) om in alles de eerste te zijn[Kolossenzen 1:18]?


Toen God zei: “Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis[Genesis 1:26], zou Hij toen niet het beeld voor ogen hebben gehad van “Zijn eniggeboren Zoon”, die naar de wereld zou komen [Johannes 3:16, SV]?


We weten dat God de wereld schiep door Zijn Woord [Psalm 33:9]. We lezen steeds: “God zei (…) en zo gebeurde het.” En van Johannes weten we dat het Woord mens is geworden, dat het gekomen is in Gods eniggeboren Zoon.


Johannes 1:1-14 – In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. (…) Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben Zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.


Ook in Spreuken lezen we dat de Zoon bij de Vader was voordat de wereld bestond. Op schitterende wijze verhaalt Wijsheid – een metafoor van de Zoon – daar over Gods scheppingswerk.


Spreuken 8:22-31 [NBV/EV] – De HEER heeft Mij vóór al het andere verworven. Toen Hij Zijn scheppingswerk begon, riep Hij eerst Mij. Van eeuwigheid af ben Ik gezalfd geweest, vanaf het begin, vanaf de tijden voordat de aarde er was. (…) Ik was erbij toen Hij de hemel zijn plaats gaf en een cirkel om het water trok, de wolken aan de hemelkoepel plaatste, de oceanen bruisend op liet wellen, toen Hij aan de zeeën grenzen stelde, het water met Zijn woord zijn plaats gaf, de fundamenten van de aarde legde. Ik was Zijn lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw. Ik was altijd verheugd in Zijn aanwezigheid, vond vreugde in Zijn hele aarde en was blij met alle mensen.


Paulus moet hieraan gedacht hebben, toen hij zijn brief aan de Kolossenzen begon, en hij de Zoon de eerstgeborene van heel de schepping noemde en betuigde dat alles in Hem, door Hem en voor Hem is geschapen.


Kolossenzen 1:15-17 – Beeld van God, de onzichtbare, is Hij, eerstgeborene van heel de schepping: in Hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten, alles is door Hem en voor Hem geschapen. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.


Vóór de schepping was de Zoon dus bij de Vader en was Hij Zijn lieveling. Elke dag opnieuw gaf Hij de Vader grote vreugde en was Hij verheugd in Zijn aanwezigheid. Toen God op de zesde dag Zijn scheppingswerk voltooid had, gaf Hij alles wat Hij gemaakt had aan de Zoon, voor wie Hij alles ook gemaakt had [Hebreeën 1:2].


De harmonie verstoord


Maar al snel werd de mens ongehoorzaam, keerde hij zich af van zijn Schepper, ging hij zijn eigen weg, een weg die tot de dood leidde [Genesis 3:19; Romeinen 5:12]. God wilde echter niet dat de mens zijn ondergang bewerkte met zijn zondige gedrag. Daarvoor had Hij de mens niet geschapen. God wilde dat de mens een leven leidde in harmonie met zijn Schepper en zijn medeschepselen, opdat hij zou leven en er over hem vreugde zou zijn in de hemel [Ezechiël 33:11; Lucas 15:10]. Daarom wilde God dat alle mensen zouden worden gered [1 Timotheüs 2:4; 2 Petrus 3:9].

Maar hoe zou de mens gered kunnen worden? Hoe zou de mens weer verzoend kunnen worden met zijn Schepper? De door God geschapen mens was daar zelf niet toe in staat, want de mens bleef elke dag opnieuw zondigen [Genesis 8:21; Romeinen 3:12].


Er was maar één mogelijkheid om de mens van de dood te redden en weer met zijn Schepper te verzoenen: de Zoon, voor wie God de wereld had gemaakt, moest afdalen en mens worden om de gevallen en verloren mens te redden, om hem weer met zijn Schepper te verzoenen [Hebreeën 2:10-17]. In en door en voor de Zoon zou de mens opnieuw geschapen worden, opnieuw geboren worden om eeuwig te leven met zijn Schepper [2 Korintiërs 5:17-18; Johannes 3:3].


Gods reddingsplan moest nu aan de mens bekend gemaakt worden. Daarvoor zou God een volk formeren. Uit dat volk zou Hij de mens Jeshua [ישוע] – wat veelzeggend ‘Hij-zal-redden’ betekent – voortbrengen, Zijn eniggeboren Zoon. En daarom riep God Abraham en zei tegen hem:


Genesis 12:1-3 [NBV/HSV]– Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen. (…) Ik zal je tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal Ik vervloeken, en in jou zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.


En God sloot met Abraham, zijn zoon Izaäk en zijn kleinzoon Jacob – die Hij Israël noemde – een altoosdurend verbond, en God wees hun het onvervreemdbare recht toe op het land Kanaän [Genesis 17:9, 17:21, 28:13; Leviticus 25:38, 26:42; 1 Kronieken 16:18]. Israël zou voorgoed Zijn kostbaar bezit zijn en Zijn dienaar in wie Hij Zijn luister zou tonen aan de wereld [Deuteronomium 14:2; Jesaja 49:3]. En zo gebeurde het: uit Israël werd de Redder der wereld geboren, Gods eigen Zoon [Jesaja 49:6]


Gods wil geopenbaard


In het Eerste Testament wordt voortdurend verwezen naar Gods heilsplan dat Hij zal verwezenlijken door Zijn Zoon. Eerst nog op een bedekte manier [Genesis 3:15, 14:18-20, 15:17-18], maar vanaf Mozes en vooral vanaf de profeten wordt zonder omhaal over Gods reddingsplan gesproken [Psalm 2:6-12, 110:1-4; Jesaja 9:5-6, 42:1-7, 52:13-15, 53:1-12, 61:1-2; Daniël 7:13-14; Micha 5:1; Zacharia 9:9]. Verschillende van deze teksten zal Jeshua genoemd hebben in het gesprek met Kleopas en zijn vriend, toen ze op weg waren naar Emmaüs [Lucas 24:25-27].


Voor korte tijd zou de Zoon de plaats aan de rechterhand van de Vader moeten verlaten om mens te worden, om het werk te volbrengen dat de Vader Hem had opgedragen [Hebreeën 2:9]. De Zoon zou daardoor veel moeten lijden. En krachtens een onrechtvaardig vonnis zou Hij worden gedood. Maar juist door die weg te gaan toonde de Zoon op aarde de liefdevolle grootheid van de Vader, want zo zou Hij de schuld van Zijn volk en die van de hele wereld vergelden [Jesaja 53:1-12; Johannes 3:15-17].


Na zijn lijden en sterven zou Hij weer plaats mogen nemen aan de rechterhand van de Vader [Psalm 110:1].


Lucas 24:26 – Moest de Messias al dat lijden niet ondergaan om Zijn glorie binnen te gaan?


“Het is volbracht”


Nu even terug naar onze vraag. We zagen dat de Zoon al vóór de schepping bij de Vader was, dat Hij Zijn lieveling was. De Vader genoot elke dag weer van de Zoon, die altijd in Zijn aanwezigheid was, vol van liefde voor de Vader. Maar door de misstap van de mens kwam daarin verandering. Omwille van Gods reddingsplan voor de wereld zou de Zoon een mensenleven lang niet in de aanwezigheid van de Vader kunnen verkeren, maar zou Hij als mens veel moeten lijden en moeten sterven en zou de Vader Hem zelfs voor een ogenblik verlaten [Psalm 2:7-8; Jesaja 53:1-12; Marcus 15:34].


Zou dát niet de reden zijn dat Jeshua aan de Vader vraagt om Hem te verheffen tot de grootheid die Hij bij Hem had “voordat de wereld bestond”? Want toen er nog geen wereld was, waren er ook nog geen mensen, was er ook nog geen zonde, was er geen schuld te vereffenen en was er geen noodzaak voor Hem om de hemel te verlaten.


Toen Jeshua de leerlingen zei dat Hij er hevig naar verlangde dit pesachmaal met hen te eten, zei Hij dat, omdat H