DANIËLS VISIOEN OVER DE ZEVENTIG WEKEN [DEEL 1]

Bijgewerkt: mei 19

Bijbelstudie van Bas van Twist naar aanleiding van Daniël 9:22-27.



Voorwoord


Velen hebben de godsspraak over de zeventig weken (zeventallen) bestudeerd en geprobeerd om te achterhalen hoe dit visioen begrepen moet worden. Ook ik schaar me onder die velen. In deze studie, die de uitkomst is van jarenlang onderzoek, is te lezen waar dat vooralsnog toe geleid heeft. Vooralsnog, want het is stap voor stap dat de Vader ons Zijn plannen en Zijn wegen openbaart en wij de volkomen eenheid in Zijn Woord mogen ontdekken tot eer van Zijn heilige Naam [Deuteronomium 29:28; Psalm 111:2; Jesaja 55:8].


Omdat mijns inziens geen van onze Bijbelvertalingen voldoende recht doet aan de beschrijving van het visioen uit Daniël 9, heb ik de vrijheid genomen om mijn eigen vertaling (EV) te gebruiken.[1]


Daniël 9:22-27 [EV] – Hij (Gabriël) begon mij uitleg te geven. Hij zei: ‘Daniël, ik ben nu gekomen om je een helder inzicht te geven. Er is een woord uitgegaan toen je je smeekbede begon en ik ben gekomen om het over te brengen, want je bent zeer geliefd. Luister naar het woord en sla acht op het visioen. God heeft zeventig zeventallen vastgesteld ter wille van je volk en je heilige stad. Daarna zal er voorgoed een einde komen aan een leven van zonde, ongerechtigheid en misdaden. Dan zal er voor altijd gerechtigheid zijn. Wat de profeten hebben gezien, zal werkelijkheid worden. Een allerheiligste Tempel zal worden ingewijd. Weet dan, en versta: vanaf het uitgaan van het Goddelijk woord om Jeruzalem te herstellen en te bouwen, tot op de Messías, de Heer, zijn zeven zeventallen en 62 zeventallen; de pleinen en de schansen zullen herbouwd worden, zelfs in benauwde tijden. Ná die 62 zeventallen zal de Messías gedood worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. En het volk van de prins, dat komen zal, zal de stad en het Heiligdom verwoesten, en het einde zal zijn met een overstromende vloed. Tot aan het einde van de vijandelijkheden zullen ze zijn afgesloten door de verwoesting, zoals is vastgesteld. Hij zal een sterk bondgenootschap sluiten met velen, een zevental lang. De helft van het zevental zal hij offers noch gaven laten brengen en op de vleugel zal een gruwel van ontzetting te zien zijn, tot de voleinding toe, die – vastbesloten – over de veroorzaker ervan uitgestort zal worden.


Inleiding


Anders dan nogal eens wordt gedacht, gaat het in dit visioen in de eerste plaats om de plannen die God heeft met Israël – het volk door Hem geschapen, gemaakt en gevormd omwille van Zijn majesteit [Jesaja 43:7, 44:21] – en met Jeruzalem – de stad door Hem uitgekozen om er Zijn Naam te laten wonen [1 Koningen 11:36]. Dat volgt niet alleen uit Daniël 9:24, maar ook uit Daniëls aangrijpende gebed dat aan ons Bijbelgedeelte voorafgaat. Daniël[2] eindigt daar zijn smeekbede met de woorden:


Daniël 9:19Wacht niet langer en grijp in, mijn God, ook omwille van Uzelf, want Uw Naam is verbonden aan Uw stad (Jeruzalem) en aan Uw volk (Israël).


En op het moment dat die woorden opklinken tot de hemel, verschijnt Gods trouwe boodschapper Gabriël[3] om Daniël een helder inzicht te geven in het heilsplan, dat God al vóór de grondlegging der wereld heeft vastgesteld [Psalm 33:11; Amos 3:7; Efeziërs 3:11].[4]


In deze studie willen we, zoals gezegd, op zoek gaan naar de betekenis van de openbaring die Daniël te horen krijgt. Op welke perioden zien die zeven en 62 zeventallen en dat ene zevental? Kunnen we die perioden in de tijd lokaliseren? Is de helft van dat ene zevental een moment dat is aan te wijzen? Vanzelfsprekend gaan we ook in op de andere perioden genoemd in het Bijbelboek Daniël en springen we een aantal keren over naar het laatste Bijbelboek Openbaring, waar vergelijkbare perioden worden genoemd. In het begin ontkomen we niet aan een tijdrekenkundige exercitie aan de hand van Bijbelse en buiten-Bijbelse bronnen om de zeven en 62 zeventallen vast te stellen. Voor sommigen zal dit gedeelte wellicht wat taaie stof zijn, maar de uitkomsten zijn het beslist waard om de aandacht er tot het einde toe bij te houden.


In het bijzonder staan we stil bij hét teken dat de spoedige wederkomst van de Messías aankondigt, namelijk het herstel van het land Israël en de terugkeer van het Joodse volk daarnaar. Dit godswonder, dat in onze wereldgeschiedenis op deze schaal nooit eerder heeft plaatsgevonden, en ruim 34 eeuwen geleden al door Mozes en later door de andere profeten werd voorzegd, wordt echter door andere volken met verbaal of militair geweld betwist. Daarover profeteerde David overigens al, die ook mocht zien hoe het zou aflopen met die rivaliserende volken [Psalm 2, 110].


Week of zevental?


Het Hebreeuwse woord שׁבע (sheva) wordt in de Bijbel veelal vertaald met week of zeven (in combinatie met dagen). Zo ook in onze Bijbelvertalingen. Maar het woord ziet letterlijk op een groep van zeven: een zevental. Daarom geef ik er de voorkeur aan om het woord in ons Bijbelgedeelte te vertalen met zevental in plaats van week. In tijdseenheden kan een zevental immers ook betrekking hebben op bijvoorbeeld maanden of jaren, maar ook op Sabbatsjaren of Jubeljaren en zelfs een samenstel daarvan.


Voor God is de duur van een tijdseenheid bovendien niet hetzelfde als voor de mens. Voor de Eeuwig Levende is één dag als duizend jaar en is een millennium als één dag [2 Petrus 3:8; Hosea 6:2]. Voor Hem zijn vele eeuwen niet meer dan één ogenblik [Jesaja 54:8].


Met het getal zeven heeft God allereerst een belangrijke indeling van de tijd vastgelegd. Toen God op de zevende dag rustte van Zijn scheppingswerk, heiligde Hij die dag [Genesis 2:3], zodat ook mens en dier hun rust zouden krijgen. Met het vieren van de zevende dag als rustdag, volmaakte God de week.


Daarnaast heiligde God het zevende jaar, opdat ook het land zou kunnen rusten: het Sabbatsjaar.[5] En na zeven Sabbatsjaren, na (7 x 7) 49 jaar, heiligde God ook het vijftigste jaar: het Jubeljaar, waarin kwijtschelding zou worden afgekondigd voor alle inwoners van het land en ieder weer naar zijn eigen grond en zijn eigen familie zou kunnen terugkeren.[6]


Dikwijls worden belangrijke momenten in Gods heilsplan gekenmerkt door het getal zeven of een veelvoud daarvan. Dat blijkt ook uit het Bijbelgedeelte dat we hier bespreken. Een zevental ziet in de Bijbel daarom tevens op een (geestelijke) volmaaktheid, een kwalitatieve volheid [Leviticus 23:34; Jozua 6:4-5; 2 Koningen 5:10-14; Openbaring 8:2].


Sabbatsjaar


De meeste Bijbeluitleggers veronderstellen dat het bij de zeventallen gaat om een zevental van zeven jaar, veelal aangeduid met (de niet-Bijbelse term) 'jaarweek'. Ik kan me daarin vinden voor wat betreft de zeven en 62 zeventallen, zij het dat de engel Gabriël met dit zevental volgens mij specifiek doelt op de periode van zeven jaar, zoals beschreven in Leviticus 25:1-5, die eindigt met een Sabbatsjaar.


Israëls geschiedenis heeft geleerd hoe belangrijk God het vindt dat het gebod om het land een Sabbatsrust te geven, in acht wordt genomen. Want als Juda, in de tijd van de koningen, dit voorschrift niet in acht neemt, straft God het volk door het in ballingschap te voeren naar Babel. Zo zou het land zeventig jaar braak liggen en rust hebben ‘totdat alle niet in acht genomen Sabbatsjaren vergoed waren[Jeremia 25:11-12; 2 Kronieken 36:21].


Het getal zeven wordt in de Bijbel regelmatig gebruikt in combinatie met het getal tien (עשׂר, èsar).[7] En zoals zeven dikwijls staat voor een kwalitatieve volheid, zo staat tien vaak voor een kwantitatieve volheid [Exodus 34:28; Numeri 14:22; Zacharia 8:23; Mattheüs 25:1; Lucas 19:13].


Gods heilsplan: een volmaakte volheid


In de Bijbel duidt een combinatie van zeven en tien dan ook doorgaans op iets dat volledig, volmaakt of afgerond is. Zoals de tiende dag van de zevende maand erop wijst dat het om de belangrijkste dag van het Joodse jaar gaat, namelijk Grote Verzoendag [Leviticus 23:27], zo ziet de factor van zeven en tien (zeventig) op een volmaakte volheid.


Daarom meen ik dat de zeventig zeventallen ziet op het volledige aantal zeventallen dat God heeft vastgesteld ter wille van Daniëls volk en zijn heilige stad om Zijn heilsplan tot stand te brengen.


Gods heilsplan krijgt formeel zijn beslag bij de verbondssluiting met Abraham, als hij 99 jaar oud is.


Genesis 17:4-8Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want Ik maak je de vader van vele volken. (…) Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: Ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal Ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en Ik zal hun God zijn.


Als zichtbaar bewijs van deze belofte geeft God aan Abraham en zijn nakomelingen, generatie na generatie, het teken van de besnijdenis. Zo zal Zijn verbond ín hen zichtbaar zijn tot een eeuwigdurend verbond.


Op grond van ons Bijbelgedeelte meen ik dat Gods heilsplan voleindigd zal zijn na ommekomst van zeventig zeventallen, als er voorgoed een einde is gekomen aan een leven van zonde, ongerechtigheid en misdaden en als werkelijkheid is geworden wat de profeten hebben gezien.


Deze periode van zeventig zeventallen wordt door de engel Gabriël opgedeeld in drie fasen: één van zeven zeventallen, één van 62 zeventallen en één van één zevental. Dat ene zevental wordt verder opgedeeld in twee helften.


Bijbelse chronologie


Om de openbaring die Daniël krijgt beter te begrijpen, zullen we inzicht moeten krijgen in de datering van de gebeurtenissen die de engel noemt.[8] Als van één van deze gebeurtenissen een duidelijk ijkpunt gevonden kan worden, kunnen zo mogelijk ook de andere gebeurtenissen in de tijd worden gelokaliseerd.


Een betrouwbaar aanknopingspunt kan gevonden worden in de regeerperiode van Jojakim, de koning van Juda, en die van Nebukadnezar, de koning van Babel. Volgens Jeremia 25:1-2 vallen het vierde regeringsjaar van koning Jojakim en het eerste regeringsjaar van koning Nebukadnezar namelijk samen. Veruit de meesten gaan ervan uit dat dit het jaar 606 v.Chr. is en dat dit dus ook tevens het begin is van de zeventig jaar durende heerschappij van Babel [Jeremia 25:11]. Bij hun berekening hebben ze dan 1 Koningen 6:1 als uitgangspunt genomen. We lezen daar dat koning Salomo in ‘het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, in het vierde jaar van zijn regering over Israël, in de maand ziw, de tweede maand’ met de bouw van de Tempel is begonnen.


Waar de meeste chronologen in hun berekening echter aan voorbijgaan, is wat de apostel Paulus vertelt tijdens zijn toespraak in de synagoge van Antiochië over de periode van de exodus uit Egypte tot aan David. Want wat blijkt: deze periode is 93 jaar langer dan de 480 jaar die 1 Koningen 6:1 aangeeft.


Handelingen 13:19-22 [NBV/SV]In Kanaän onderwierp Hij zeven volken, en hun land gaf Hij in bezit aan onze voorouders. En daarna omtrent vierhonderd vijftig jaren, gaf Hij hun richters, tot op Samuël, de profeet. Daarna vroeg het volk om een koning, en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, die veertig jaar regeerde. Toen stootte God hem van de troon en maakte David koning, van wie Hij getuigde: ‘In David, de zoon van Isaï, heb Ik een man naar Mijn hart gevonden, die geheel naar Mijn wil zal handelen.’


Volgens Paulus omvat de gehele periode tussen de uittocht en de Tempelbouw dus ongeveer 573 jaar, te weten de veertig jaar durende tocht door de woestijn [Deuteronomium 2:7], de ongeveer 450 jaar durende periode van de Richteren, de veertig jaar durende regeerperiode van Saul, de veertig jaar durende regeerperiode van David [1 Koningen 2:10-11] en de drie jaar van de regeerperiode van Salomo vóór hij met de bouw van de Tempel begon.


Omdat velen met dit verschil geen raad weten, baseren zij zich alleen op 1 Koningen 6:1. Dat heeft echter tot gevolg gehad dat er diverse dateringen zijn ontstaan en in encyclopedieën en Bijbelcommentaren terecht zijn gekomen, die mijns inziens niet houdbaar zijn. Het geloof in de mogelijkheid dat we aan de hand van de Bijbel gebeurtenissen in de tijd kunnen lokaliseren, heeft met name door dit schijnbaar onoplosbare probleem bij velen schipbreuk geleden. Er werd al snel geconcludeerd dat de Schrift nooit een Bijbelse chronologie heeft willen geven. Ten onrechte, want de schijnbare tegenstrijdigheid tussen 1 Koningen 6:1 en Handelingen 13:19-22 is namelijk te verklaren. Dat moet ook wel, want Gods Woord spreekt zichzelf nooit tegen.[9]


Ammi- en Lo-Ammi-jaren


Het hiervoor genoemde verschil van 93 jaar tussen de uittocht en de Tempelbouw, kan worden gevonden in het beginsel dat in de Bijbel alleen de jaren tellen waarin Israël de HEER gehoorzaam is, de ‘Ammi’-jaren [Hosea 2:25], en niet de jaren dat de Israëlieten doen ‘wat slecht is in de ogen van de HEER,’ de ‘Lo-Ammi’-jaren [Hosea 1:9].[10] Iets dergelijks zien we ook terugkomen in de beschrijving die Mattheüs geeft van het geslachtsregister van Jeshua[11] en daarbij bewust de namen van enkele koningen uit Davids geslachtslijn weglaat die door God zijn veroordeeld.[12]


Israëls 93 Lo-Ammi-jaren uit de tijd van de Richteren, staan allemaal vermeld in de Bijbel. Het zijn de acht jaar dat de Israëlieten in de macht waren van Kusan-Risataïm, de koning van Mesopotamië [Rechters 3:8], de achttien jaar dat ze Eglon, de koning van Moab, moesten dienen [Rechters 3:14], de twintig jaar dat de Israëlieten onderdrukt werden door Jabin, de koning van Kanaän [Rechters 4:2-3], de zeven jaar dat ze in de macht waren van Midian [Rechters 6:1-2] en de veertig jaar dat de Israëlieten waren overgeleverd aan de Filistijnen [Rechters 13:1].


Om het eerste regeringsjaar van Nebukadnezar te achterhalen, moeten we bij de 93 Lo-Ammi-jaren uit de tijd van de Richteren nog optellen de twintig Lo-Ammi-jaren uit de tijd van de koningen, bestaande uit de zes regeringsjaren van Athalia [2 Koningen 11:3], de dertien jaren die in de Bijbel niet zijn ingevuld tussen Amasja en Azarja [2 Koningen 14:1-2, 14:23, 15:1] en het niet ingevulde jaar tussen Azarja en Jotham [2 Koningen 15:2, 15:27, 15:32].


Omdat de Judeeërs het jaar van de troonsbestijging als het eerste regeringsjaar beschouwden en de Babyloniërs het eerste volledige regeringsjaar als het eerste regeringsjaar, en dikwijls niet de datum bekend is wanneer in een bepaald jaar een regeringsperiode is begonnen of geëindigd, kan het voorkomen dat sommige regeringsjaren elkaar overlappen.[13] In de wetenschap van de chronologie zijn daarom methodieken ontwikkeld die onnauwkeurigheden als dubbeltellingen zo veel mogelijk corrigeren. Met behulp hiervan zijn de hiervoor genoemde 113 Lo-Ammi-jaren gecorrigeerd en nader vastgesteld op 110 jaren.[14]


Nebukadnezars eerste regeringsjaar (496 v.Chr.)


Het zijn deze 110 Lo-Ammi-jaren waarmee de meeste chronologen geen rekening houden bij het bepalen van het eerste regeringsjaar van Nebukadnezar. Als we echter wél rekening houden met de jaren die Paulus noemt tijdens zijn toespraak in Antiochië, dan is het vierde regeringsjaar van koning Jojakim en het eerste regeringsjaar van koning Nebukadnezar niet 606 v.Chr. maar 496 v.Chr.


Om nog een andere reden vind ik deze tijdrekening meer aannemelijk. Zoals gezegd, had de HEER bij monde van Jeremia voorzegd dat het land zeventig jaar braak zou liggen totdat alle niet in acht genomen Sabbatsjaren waren vergoed [2 Kronieken 36:21]. Als we de redenering van de meeste chronologen zouden volgen, dan zou dat betekenen dat al vanaf 1076 v.Chr. de Sabbatsjaren niet in acht genomen zouden zijn, aangezien zij ervan uitgaan dat de twee stammen in 586 v.Chr. naar Babel zijn weggevoerd.[15] Dat impliceert dat ook Samuel en David[16] dit gebod niet in acht zouden hebben genomen. Mij lijkt dat echter onwaarschijnlijk, omdat in Jeremia 15:1 Samuel en Mozes worden voorgesteld als Israëls grootste profeten, en we lezen dat heel Israël naar Samuel luisterde [1 Samuel 4:1]. En over David zegt de Schrift dat hij zich altijd heeft gehouden aan wat God hem opdroeg [1 Koningen 15:5].


Perzische koningen


Als we de Bijbelboeken Daniël, Ezra, Nehemia, Haggaï en Zacharia lezen, dan is lang niet altijd duidelijk over welke Perzische koning het gaat. Dat komt omdat alleen hun koninklijke titels worden genoemd, de ene keer in het Hebreeuws (Ahasveros en Arthahsasta), de andere keer in het Perzisch (Darius en Kores), het Grieks (Xerxes en Artaxerxes) of het Latijn (Cyrus), alsof we voortdurend te maken hebben met andere koningen, terwijl dat lang niet altijd het geval is.


Onze Bijbelvertalers maken het daarnaast nog ingewikkelder doordat, in hetzelfde tekstgedeelte, de ene vertaling de Griekse titelaanduiding gebruikt en de andere de Hebreeuwse, Perzische of Latijnse. En zelfs in dezelfde Bijbelvertaling worden de Griekse, Hebreeuwse, Perzische en Latijnse titels door elkaar gebruikt. Maar deze koninklijke titels zijn geen eigennamen, net zo min als die van Farao of Caesar.[17]


Bullinger heeft aan de hand van verschillende onafhankelijke buiten-Bijbelse bronnen[18] nauwkeurig onderzoek gedaan naar de verschillende Perzische koningen uit de tijd van Ezra en Nehemia. En dan komen we er vier tegen, te weten: (1) Ahasveros, de echtgenoot van Esther, die we in de Bijbel ook tegenkomen als Arthahsasta, Darius de Mediër of Artaxerxes, (2) zijn zoon Cyrus, die we verder tegenkomen als Kores of Darius, (3) diens zoon Cambyses, die we tegenkomen als Arthahsasta of Artaxerxes, en (4) diens neef Hystaspis, die we tegenkomen als Darius, Arthahsasta of Artaxerxes.


De onduidelijkheid over de identiteit van deze koningen en hun familiebanden, is er de oorzaak van dat we Gods wonderbare ingrijpen in de heilsgeschiedenis niet steeds hebben opgemerkt. We komen daar zo dadelijk een mooi voorbeeld van tegen.


Woord om Jeruzalem te herstellen (454 v.Chr.)


Daniël 9:25 [EV]Weet dan, en versta: vanaf het uitgaan van het Goddelijk woord om Jeruzalem te herstellen en te bouwen, tot op de Messías, de Heer, zijn zeven zeventallen en 62 zeventallen; de pleinen en de schansen zullen herbouwd worden, zelfs in benauwde tijden.


In Nehemia 2:5-6 kunnen we lezen over dit Goddelijk woord om Jeruzalem te herstellen. Als Nehemia – die net als Daniël en zijn drie vrienden, 42 jaar eerder naar Babel is weggevoerd [Daniël 1:1-4] – koning Artaxerxes (NBV) een glas wijn inschenkt, vraagt de koning hem waarom hij zo bedrukt kijkt. Nehemia verontschuldigd zich snel en legt de koning uit dat hij zo somber kijkt omdat de stad waar zijn voorouders begraven liggen, is verwoest en haar poorten in vlammen zijn opgegaan. Wanneer de koning hem vraagt wat hij wenst, antwoordt Nehemia:


Nehemia 2:5‘Als het de koning goeddunkt, en als u het mij, uw dienaar, toestaat, zend mij dan naar Juda, om de stad te herbouwen waar mijn voorouders begraven liggen.’


Nadat Nehemia, op aandringen van de koning, aangeeft wanneer hij verwacht weer terug te zijn, besluit de koning zijn verzoek in te willigen en Nehemia naar Jeruzalem te sturen om de voorbereidingen te treffen voor de herbouw van de stad.


Nadrukkelijk vermeldt Nehemia daarbij dat dit was ‘met zijn lievelingsvrouw aan zijn zijde’. Je zou er bijna overheen lezen, maar die bijzin staat er niet zo maar. Nehemia vermeldt dit omdat de koningin niemand minder is dan koningin Esther, want deze koning Artaxerxes (NBV) is namelijk dezelfde als koning Ahasveros uit het Bijbelboek Esther.


Volgens buiten-Bijbelse bronnen, waaronder de Griekse historicus Herodotus, was Nebukadnezar getrouwd met de zuster van Ahasveros, die Nebukadnezar als regent verving gedurende de zeven jaar dat hij door de mensen was verstoten [Daniël 4]. Het was in het laatste jaar dat Ahasveros Nebukadnezar als regent verving, dat hij Nehemia toestemming gaf om Jeruzalem te gaan herbouwen. Koning Nebukadnezar kreeg in datzelfde jaar zijn verstand weer terug en onderstreepte het besluit van zijn regent met een lofprijzing aan God [Daniël 4:4].


Vanaf het moment dat Nehemia toestemming krijgt om Jeruzalem te herbouwen ‘tot op de Messías, de Heer’ is een periode van (7 + 62) 69 zeventallen. Maar op welk moment in het leven van de Messias doelt de engel hier dan? Volgens Bullinger en Jones eindigt deze periode met de kruisiging van Jeshua, want over Hem gaat het hier immers. Maar volgens mij doelt Gabriël hier op het moment dat Jeshua Zijn verkondiging begint [Johannes 1:29-31].[19] De engel vermeldt immers nadrukkelijk dat ná[20] de zeven en 62 zeventallen de Messías zal worden gedood [Daniël 9:26].


Het jaar waarin Jeshua Zijn verkondiging is begonnen kunnen we als volgt herleiden. Volgens Marcus 1:14 gaat Jeshua het goede nieuws verkondigen nadat Johannes gevangen is genomen. Van Johannes weten we dat hij zijn publieke optreden begon in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius [Lucas 3:1]. Deze keizer is in het jaar 14 AD aan de macht gekomen,[21] zodat Johannes in (14 + 15) 29 AD het volk is gaan voorbereiden op de komst van de Messías [Jesaja 40:3; Maleachi 3:1, 23-24; Lucas 1:17]. De meeste chronologen[22] gaan ervan uit dat Johannes nog geen jaar heeft gepredikt en geprofeteerd voordat hij door Herodes Antipas gevangen werd genomen.[23] Het is dan ook aannemelijk dat Jeshua in of omstreeks 30 AD met Zijn verkondiging is begonnen.[24]


Ondanks de verschillen in jaartallen en uitgangspunten ben ik het met Ussher, Bullinger en Jones eens over het jaar waarin ‘het woord om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen’ is uitgegaan, namelijk in 454 v. Chr. Als we vanaf 454 v.Chr. (69 x 7) 483 jaar verder tellen, komen we namelijk uit in het jaar 30 AD.[25]


Het is dus in 454 v.Chr. dat koning Ahasveros (Artaxerxes), met koningin Esther aan zijn zijde, aan Nehemia toestemming geeft om Jeruzalem te gaan herbouwen.


Het wordt niet vermeld, maar zou Esther hier niet opnieuw een beslissende rol hebben gespeeld in Gods heilsplan? Misschien heeft zij haar echtgenoot wel overgehaald om Nehemia’s verzoek in te willigen. Het zou me niets verbazen, want het ging per slot van rekening ook om haar heilige stad, waarvan de HEER, bij monde van Jeremia, had voorzegd dat het volk daarnaar zou terugkeren [Jeremia 28:4, 29:14].


Overigens klinkt pas 28 jaar later, in 426 v.Chr., de oproep van Cyrus (Kores) aan de Israëlieten om terug te keren naar Jeruzalem en de Tempel te gaan herbouwen. Want pas dan komt er een einde aan de heerschappij van Babel, die, zoals door Jeremia was voorzegd, zeventig jaar zou duren [Daniël 9:1-2; Jeremia 25:11].


Het is het rijk van de Meden en de Perzen dat in [496 – 70] 426 v.Chr. de heerschappij van Babel overneemt, zoals God aan Daniël in het visioen van de vier dieren had geopenbaard [Daniël 7; zie www.wachters.nu/post/daniel-profeet-en-wachter]. Het is tevens het jaar dat Ahasveros zijn zoon Cyrus aanwijst als zijn opvolger. En één van Cyrus' eerste decreten betreft de oproep aan alle Israëlieten in zijn rijk om de door vuur verwoeste Tempel in Jeruzalem te gaan herbouwen [2 Kronieken 36:22-23; Ezra 1:2].


Cyrus, Gods gezalfde


Soms gebruikt God koningen van vreemde volken om Zijn plannen te verwezenlijken [Jesaja 60:10]. Dat is onder meer het geval bij Cyrus.

Jesaja 45:13Ik ben het die Cyrus laat komen in gerechtigheid, steeds opnieuw baan Ik voor hem de weg. Hij zal Mijn stad herbouwen; Hij geeft Mijn ballingen de vrijheid terug, zonder betaling of steekpenningen te eisen – zegt de HEER van de hemelse machten.


Op Gods bevel roept Cyrus de Joden in heel zijn rijk[26] op terug te keren naar Jeruzalem om de Tempel te herbouwen.


2 Kronieken 36:23 [NBV/EV] Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor Hem een Tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda. Laten al diegenen onder u die tot Zijn volk behoren, zich verzekerd weten van de hulp van de HEER, hun God, en daarheen optrekken.


In Ezra kunnen we lezen hoe nauwgezet Cyrus doet wat God hem opdraagt en hoe betrokken hij is bij het wel en wee van het Joodse volk. Zo beveelt hij dat de Israëlieten die achterblijven, van hun buren materiële ondersteuning moeten krijgen in de vorm van zilver, goud, goederen en vee. Hij zorgt er tevens voor dat de 5.400 voorwerpen, die Nebukadnezar destijds uit de Tempel had geroofd, worden teruggegeven. Verder schrijft Cyrus voor hoe de Tempel moet worden herbouwd en laat hij de kosten van de herbouw volledig betalen uit de koninklijke schatkist [Ezra 6:3-5, 6:8, 7:20].


We lezen overigens nergens in de Bijbel hoe Cyrus de opdracht om de Tempel te herbouwen van God heeft gekregen. Zou het kunnen zijn dat Cyrus begreep dat het over hém ging, toen God bij monde van Jesaja, anderhalve eeuw daarvoor, over hem profeteerde: ‘Dit is Mijn herder, alles wat Ik wil, brengt hij ten uitvoer: hij geeft opdracht om Jeruzalem te herbouwen en voor de Tempel de fundering te leggen[Jesaja 44:28]? Dat zou heel goed kunnen. Zeker omdat Daniël één van zijn belangrijkste adviseurs was [Daniël 6:29]. H