DANIËLS VISIOEN OVER DE ZEVENTIG WEKEN [DEEL 1]

Bijgewerkt op: mei 19

Bijbelstudie van Bas van Twist naar aanleiding van Daniël 9:22-27.



Voorwoord


Velen hebben de godsspraak over de zeventig weken (zeventallen) bestudeerd en geprobeerd om te achterhalen hoe dit visioen begrepen moet worden. Ook ik schaar me onder die velen. In deze studie, die de uitkomst is van jarenlang onderzoek, is te lezen waar dat vooralsnog toe geleid heeft. Vooralsnog, want het is stap voor stap dat de Vader ons Zijn plannen en Zijn wegen openbaart en wij de volkomen eenheid in Zijn Woord mogen ontdekken tot eer van Zijn heilige Naam [Deuteronomium 29:28; Psalm 111:2; Jesaja 55:8].


Omdat mijns inziens geen van onze Bijbelvertalingen voldoende recht doet aan de beschrijving van het visioen uit Daniël 9, heb ik de vrijheid genomen om mijn eigen vertaling (EV) te gebruiken.[1]


Daniël 9:22-27 [EV] – Hij (Gabriël) begon mij uitleg te geven. Hij zei: ‘Daniël, ik ben nu gekomen om je een helder inzicht te geven. Er is een woord uitgegaan toen je je smeekbede begon en ik ben gekomen om het over te brengen, want je bent zeer geliefd. Luister naar het woord en sla acht op het visioen. God heeft zeventig zeventallen vastgesteld ter wille van je volk en je heilige stad. Daarna zal er voorgoed een einde komen aan een leven van zonde, ongerechtigheid en misdaden. Dan zal er voor altijd gerechtigheid zijn. Wat de profeten hebben gezien, zal werkelijkheid worden. Een allerheiligste Tempel zal worden ingewijd. Weet dan, en versta: vanaf het uitgaan van het Goddelijk woord om Jeruzalem te herstellen en te bouwen, tot op de Messías, de Heer, zijn zeven zeventallen en 62 zeventallen; de pleinen en de schansen zullen herbouwd worden, zelfs in benauwde tijden. Ná die 62 zeventallen zal de Messías gedood worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. En het volk van de prins, dat komen zal, zal de stad en het Heiligdom verwoesten, en het einde zal zijn met een overstromende vloed. Tot aan het einde van de vijandelijkheden zullen ze zijn afgesloten door de verwoesting, zoals is vastgesteld. Hij zal een sterk bondgenootschap sluiten met velen, een zevental lang. De helft van het zevental zal hij offers noch gaven laten brengen en op de vleugel zal een gruwel van ontzetting te zien zijn, tot de voleinding toe, die – vastbesloten – over de veroorzaker ervan uitgestort zal worden.


Inleiding


Anders dan nogal eens wordt gedacht, gaat het in dit visioen in de eerste plaats om de plannen die God heeft met Israël – het volk door Hem geschapen, gemaakt en gevormd omwille van Zijn majesteit [Jesaja 43:7, 44:21] – en met Jeruzalem – de stad door Hem uitgekozen om er Zijn Naam te laten wonen [1 Koningen 11:36]. Dat volgt niet alleen uit Daniël 9:24, maar ook uit Daniëls aangrijpende gebed dat aan ons Bijbelgedeelte voorafgaat. Daniël[2] eindigt daar zijn smeekbede met de woorden:


Daniël 9:19Wacht niet langer en grijp in, mijn God, ook omwille van Uzelf, want Uw Naam is verbonden aan Uw stad (Jeruzalem) en aan Uw volk (Israël).


En op het moment dat die woorden opklinken tot de hemel, verschijnt Gods trouwe boodschapper Gabriël[3] om Daniël een helder inzicht te geven in het heilsplan, dat God al vóór de grondlegging der wereld heeft vastgesteld [Psalm 33:11; Amos 3:7; Efeziërs 3:11].[4]


In deze studie willen we, zoals gezegd, op zoek gaan naar de betekenis van de openbaring die Daniël te horen krijgt. Op welke perioden zien die zeven en 62 zeventallen en dat ene zevental? Kunnen we die perioden in de tijd lokaliseren? Is de helft van dat ene zevental een moment dat is aan te wijzen? Vanzelfsprekend gaan we ook in op de andere perioden genoemd in het Bijbelboek Daniël en springen we een aantal keren over naar het laatste Bijbelboek Openbaring, waar vergelijkbare perioden worden genoemd. In het begin ontkomen we niet aan een tijdrekenkundige exercitie aan de hand van Bijbelse en buiten-Bijbelse bronnen om de zeven en 62 zeventallen vast te stellen. Voor sommigen zal dit gedeelte wellicht wat taaie stof zijn, maar de uitkomsten zijn het beslist waard om de aandacht er tot het einde toe bij te houden.


In het bijzonder staan we stil bij hét teken dat de spoedige wederkomst van de Messías aankondigt, namelijk het herstel van het land Israël en de terugkeer van het Joodse volk daarnaar. Dit godswonder, dat in onze wereldgeschiedenis op deze schaal nooit eerder heeft plaatsgevonden, en ruim 34 eeuwen geleden al door Mozes en later door de andere profeten werd voorzegd, wordt echter door andere volken met verbaal of militair geweld betwist. Daarover profeteerde David overigens al, die ook mocht zien hoe het zou aflopen met die rivaliserende volken [Psalm 2, 110].


Week of zevental?


Het Hebreeuwse woord שׁבע (sheva) wordt in de Bijbel veelal vertaald met week of zeven (in combinatie met dagen). Zo ook in onze Bijbelvertalingen. Maar het woord ziet letterlijk op een groep van zeven: een zevental. Daarom geef ik er de voorkeur aan om het woord in ons Bijbelgedeelte te vertalen met zevental in plaats van week. In tijdseenheden kan een zevental immers ook betrekking hebben op bijvoorbeeld maanden of jaren, maar ook op Sabbatsjaren of Jubeljaren en zelfs een samenstel daarvan.


Voor God is de duur van een tijdseenheid bovendien niet hetzelfde als voor de mens. Voor de Eeuwig Levende is één dag als duizend jaar en is een millennium als één dag [2 Petrus 3:8; Hosea 6:2]. Voor Hem zijn vele eeuwen niet meer dan één ogenblik [Jesaja 54:8].


Met het getal zeven heeft God allereerst een belangrijke indeling van de tijd vastgelegd. Toen God op de zevende dag rustte van Zijn scheppingswerk, heiligde Hij die dag [Genesis 2:3], zodat ook mens en dier hun rust zouden krijgen. Met het vieren van de zevende dag als rustdag, volmaakte God de week.


Daarnaast heiligde God het zevende jaar, opdat ook het land zou kunnen rusten: het Sabbatsjaar.[5] En na zeven Sabbatsjaren, na (7 x 7) 49 jaar, heiligde God ook het vijftigste jaar: het Jubeljaar, waarin kwijtschelding zou worden afgekondigd voor alle inwoners van het land en ieder weer naar zijn eigen grond en zijn eigen familie zou kunnen terugkeren.[6]


Dikwijls worden belangrijke momenten in Gods heilsplan gekenmerkt door het getal zeven of een veelvoud daarvan. Dat blijkt ook uit het Bijbelgedeelte dat we hier bespreken. Een zevental ziet in de Bijbel daarom tevens op een (geestelijke) volmaaktheid, een kwalitatieve volheid [Leviticus 23:34; Jozua 6:4-5; 2 Koningen 5:10-14; Openbaring 8:2].


Sabbatsjaar


De meeste Bijbeluitleggers veronderstellen dat het bij de zeventallen gaat om een zevental van zeven jaar, veelal aangeduid met (de niet-Bijbelse term) 'jaarweek'. Ik kan me daarin vinden voor wat betreft de zeven en 62 zeventallen, zij het dat de engel Gabriël met dit zevental volgens mij specifiek doelt op de periode van zeven jaar, zoals beschreven in Leviticus 25:1-5, die eindigt met een Sabbatsjaar.


Israëls geschiedenis heeft geleerd hoe belangrijk God het vindt dat het gebod om het land een Sabbatsrust te geven, in acht wordt genomen. Want als Juda, in de tijd van de koningen, dit voorschrift niet in acht neemt, straft God het volk door het in ballingschap te voeren naar Babel. Zo zou het land zeventig jaar braak liggen en rust hebben ‘totdat alle niet in acht genomen Sabbatsjaren vergoed waren[Jeremia 25:11-12; 2 Kronieken 36:21].


Het getal zeven wordt in de Bijbel regelmatig gebruikt in combinatie met het getal tien (עשׂר, èsar).[7] En zoals zeven dikwijls staat voor een kwalitatieve volheid, zo staat tien vaak voor een kwantitatieve volheid [Exodus 34:28; Numeri 14:22; Zacharia 8:23; Mattheüs 25:1; Lucas 19:13].


Gods heilsplan: een volmaakte volheid


In de Bijbel duidt een combinatie van zeven en tien dan ook doorgaans op iets dat volledig, volmaakt of afgerond is. Zoals de tiende dag van de zevende maand erop wijst dat het om de belangrijkste dag van het Joodse jaar gaat, namelijk Grote Verzoendag [Leviticus 23:27], zo ziet de factor van zeven en tien (zeventig) op een volmaakte volheid.


Daarom meen ik dat de zeventig zeventallen ziet op het volledige aantal zeventallen dat God heeft vastgesteld ter wille van Daniëls volk en zijn heilige stad om Zijn heilsplan tot stand te brengen.


Gods heilsplan krijgt formeel zijn beslag bij de verbondssluiting met Abraham, als hij 99 jaar oud is.


Genesis 17:4-8Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want Ik maak je de vader van vele volken. (…) Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: Ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal Ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en Ik zal hun God zijn.


Als zichtbaar bewijs van deze belofte geeft God aan Abraham en zijn nakomelingen, generatie na generatie, het teken van de besnijdenis. Zo zal Zijn verbond ín hen zichtbaar zijn tot een eeuwigdurend verbond.


Op grond van ons Bijbelgedeelte meen ik dat Gods heilsplan voleindigd zal zijn na ommekomst van zeventig zeventallen, als er voorgoed een einde is gekomen aan een leven van zonde, ongerechtigheid en misdaden en als werkelijkheid is geworden wat de profeten hebben gezien.


Deze periode van zeventig zeventallen wordt door de engel Gabriël opgedeeld in drie fasen: één van zeven zeventallen, één van 62 zeventallen en één van één zevental. Dat ene zevental wordt verder opgedeeld in twee helften.


Bijbelse chronologie


Om de openbaring die Daniël krijgt beter te begrijpen, zullen we inzicht moeten krijgen in de datering van de gebeurtenissen die de engel noemt.[8] Als van één van deze gebeurtenissen een duidelijk ijkpunt gevonden kan worden, kunnen zo mogelijk ook de andere gebeurtenissen in de tijd worden gelokaliseerd.


Een betrouwbaar aanknopingspunt kan gevonden worden in de regeerperiode van Jojakim, de koning van Juda, en die van Nebukadnezar, de koning van Babel. Volgens Jeremia 25:1-2 vallen het vierde regeringsjaar van koning Jojakim en het eerste regeringsjaar van koning Nebukadnezar namelijk samen. Veruit de meesten gaan ervan uit dat dit het jaar 606 v.Chr. is en dat dit dus ook tevens het begin is van de zeventig jaar durende heerschappij van Babel [Jeremia 25:11]. Bij hun berekening hebben ze dan 1 Koningen 6:1 als uitgangspunt genomen. We lezen daar dat koning Salomo in ‘het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, in het vierde jaar van zijn regering over Israël, in de maand ziw, de tweede maand’ met de bouw van de Tempel is begonnen.


Waar de meeste chronologen in hun berekening echter aan voorbijgaan, is wat de apostel Paulus vertelt tijdens zijn toespraak in de synagoge van Antiochië over de periode van de exodus uit Egypte tot aan David. Want wat blijkt: deze periode is 93 jaar langer dan de 480 jaar die 1 Koningen 6:1 aangeeft.


Handelingen 13:19-22 [NBV/SV]In Kanaän onderwierp Hij zeven volken, en hun land gaf Hij in bezit aan onze voorouders. En daarna omtrent vierhonderd vijftig jaren, gaf Hij hun richters, tot op Samuël, de profeet. Daarna vroeg het volk om een koning, en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, die veertig jaar regeerde. Toen stootte God hem van de troon en maakte David koning, van wie Hij getuigde: ‘In David, de zoon van Isaï, heb Ik een man naar Mijn hart gevonden, die geheel naar Mijn wil zal handelen.’


Volgens Paulus omvat de gehele periode tussen de uittocht en de Tempelbouw dus ongeveer 573 jaar, te weten de veertig jaar durende tocht door de woestijn [Deuteronomium 2:7], de ongeveer 450 jaar durende periode van de Richteren, de veertig jaar durende regeerperiode van Saul, de veertig jaar durende regeerperiode van David [1 Koningen 2:10-11] en de drie jaar van de regeerperiode van Salomo vóór hij met de bouw van de Tempel begon.