DANIËLS VISIOEN OVER DE ZEVENTIG WEKEN [DEEL 2]

Dit is het tweede deel van de Bijbelstudie van Bas van Twist naar aanleiding van Daniël 9:22-27. Het verdient aanbeveling om eerst deel 1 te lezen voordat je aan dit vervolg begint.



Jeshua, de Messías


Daniël 9:26 [EV]Ná die 62 zeventallen zal de Messías gedood worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn (…)


Niet de geboorte van de Messías wordt als eerste door de engel Gabriël aangekondigd [Lucas 1:26-28], maar Zijn dood. Want het is uiteraard niemand minder dan Jeshua, ‘de Zoon van de levende God[Mattheüs 16:16], op wie de engel hier doelt, van wie Paulus getuigt dat Hij ‘zichzelf gegeven heeft voor onze zonden om ons te bevrijden uit deze door het kwaad beheerste wereld[Galaten 1:4], en over wie Jesaja in gelijke woorden profeteert.


Jesaja 53:5-10 [NBV/EV] Om onze zonden werd Hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor onze shalom werd Hij getuchtigd, Zijn striemen brachten ons genezing. Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de HEER op Hem neerkomen. Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed Zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed Hij Zijn mond niet open. Door een onrechtvaardig vonnis werd Hij weggenomen. Wie van Zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van Mijn volk werd Hij geslagen. Hij gaf zich, tegader met misdadigers, over aan het graf. Zijn laatste rustplaats was bij de rijken. Toch had Hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken. Maar de HEER wilde Hem breken, Hij maakte Hem weerloos. Hij offerde Zijn leven voor hun schuld, opdat zij zouden zien (Zijn Koninkrijk) en lang zouden leven. En door Zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.


Romeinen


Daniël 9:26 [EV] (…) En het volk van de prins, dat komen zal, zal de stad en het Heiligdom verwoesten, en het einde zal zijn met een overstromende vloed. Tot aan het einde van de vijandelijkheden zullen ze zijn afgesloten door de verwoesting, zoals is vastgesteld.


Ná de moord op de Messías, zo vertelt Gabriël, zal er een volk komen dat de stad en het Heiligdom opnieuw zal verwoesten. Dus terwijl de engel eerst spreekt over de herbouw van de stad en de Tempel, kondigt hij tegelijk ook weer de verwoesting daarvan aan.


Dat met het volk dat komen zal en Jeruzalem en de Tempel zal verwoesten, de Romeinen wordt bedoeld, lijdt geen twijfel [Mattheüs 23:38-39]. Rome, dat binnen een paar eeuwen door bloedige veroveringen een wereldrijk is geworden, maakt in 63 v.Chr. van Judea een vazalstaatje onder Romeins gezag. In 6 AD wordt Judea een Romeinse provincie en moet er aan de Romeinen belasting worden betaald. Naarmate de Romeinse invloed toeneemt, nemen de irritaties en provocaties over en weer toe. Als de wrede keizer Nero in 66 AD een groot bedrag uit de kas van de Tempel rooft, breekt er in Judea een opstand uit, die in dat jaar leidt tot de zogeheten Joodse Oorlog.


In diezelfde tijd bevechten rivaliserende Joodse stromingen elkaar met het zwaard. Hun onderlinge strijd om de macht maakt het voor de arme bevolking in Jeruzalem, Judea en Galilea nog ondraaglijker.[1]


Over die huiveringwekkende tijd profeteerde Jeshua amper vier decennia eerder:


Lucas 21:23Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! Want er zal ontzaglijk veel leed zijn in het land, en een zwaar vonnis zal de bevolking treffen.


Uiteindelijk ziet de meedogenloze Nero zich genoodzaakt om met geweld de Joodse opstand neer te slaan. Hij stuurt daarvoor zijn, bij hem in onmin geraakte, generaal Vespasianus. Echter, als Nero in 68 AD sterft, wordt Vespasianus door de legerleiding uitgeroepen tot keizer en gaat hij terug naar Rome om de troon op te eisen. Hij laat het verder aan zijn zoon Titus (‘de prins’) over om het Joodse verzet neer te slaan. Titus doet dat uiteindelijk in 70 AD op beestachtig wijze.


Ten slotte wordt heel Jeruzalem door de Romeinen in de as gelegd. ‘Met een overstromende vloed’ van gewelddadigheden wordt op 9 av 3830 (2 augustus 70) ook de Tempel door vuur verwoest en blijft geen enkele steen op de andere, zoals Jeshua had voorzegd [Mattheüs 24:2]. ‘Tot aan het einde van de vijandelijkheden’ zullen de stad en de Tempel afgesloten blijven.[2]


Jeremia 26:18Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De Sion zal als een akker worden omgeploegd, Jeruzalem zal tot een puinhoop worden, de Tempelberg tot een overwoekerde heuvel.


Gedurende de Joodse Oorlog (66 – 70) en de daaropvolgende Bar Kochba-opstand (132 – 136), worden naar schatting anderhalf miljoen Joden, ongeveer een derde van de bevolking, door de Romeinse soldaten afgeslacht. Nog eens een derde van de bevolking wordt krijgsgevangen genomen, sterft aan de honger[3] of wordt als slaaf verkocht, terwijl opnieuw een derde van de bevolking de grens over vlucht [Ezechiël 5:12]. De diaspora is daarmee een feit en zal zo’n negentien eeuwen duren.


Herbouw vóór de wederkomst?


Dat het zeventigste zevental, zoals de meeste Bijbeluitleggers aannemen, ziet op de laatste zeven jaar vóór de wederkomst, geloof ik niet. Want dat zou namelijk betekenen dat vóór de komst van de Mensenzoon eerst nog de Tempel moet worden herbouwd en de offerdienst hersteld. We lezen immers dat ‘hij’ de helft van het zevental offers noch gaven zal laten brengen en dat er, in plaats van het dagelijks offer, een gruwel van ontzetting te zien zal zijn. En wat er niet is, kan ook niet worden afgeschaft.


Dat de Tempel niet herbouwd wordt vóór dé Messías terugkomt, volgt niet alleen uit ons Bijbelgedeelte, waar we lezen dat de ‘gruwel van ontzetting’ tot de voleinding te zien zal zijn, maar dat volgt ook uit Zacharia 6:12, waar we lezen dat een Man, met de naam Telg, die aan de stam van David zal uitbotten, de Tempel van de HEER zal herbouwen. Het is de echo van de godsspraak van de profeet Natan over Salomo [2 Samuel 7:13]. Zoals de hogepriester Jozua een voorafschaduwing is van de komende Messías, zo is de Tempel, die in de tijd van Jozua in aanbouw is, een voorafschaduwing van de Tempel die door dé Messías zal worden herbouwd [Daniël 7:13; Mattheüs 24:30; Openbaring 22:16].


De Tempel zal daarom pas worden herbouwd als Jeshua, onze Heer, terug is op aarde om het hemels Koninkrijk te grondvesten, en niet al vóór die tijd. Dat wil overigens niet zeggen dat er niet alvast voorbereidingen getroffen kunnen worden voor de herbouw, zoals David dat deed in zijn dagen [1 Kronieken 22:5] en het Tempelinstituut dat doet in onze dagen – integendeel!


Wie is ‘hij’?


Daniël 9:27 [EV]Hij zal een sterk bondgenootschap sluiten met velen, een zevental lang (…)


Zou het hier, net als in vers 26, gaan om Titus, de zoon van keizer Vespasianus, ‘de prins’, die met zijn Romeinse legioenen Jeruzalem verwoestte en de Tempel in vlammen deed opgaan? Volgens mij niet. Uit de tekst maak ik op dat met deze ‘hij’ niet wordt gedoeld op een menselijke vijand, maar op de onzichtbare macht daarachter. Achter de aardse vorsten zijn immers onzichtbare machten werkzaam. We kunnen daarover lezen in Psalm 82 en Efeziërs 6:12, maar ook in het spotlied op de koning van Babylonië [Jesaja 14:11-16] en het spotlied op de koning van Tyrus [Ezechiël 28:12-17], waarin deze vorsten worden ontmaskerd als aardse manifestaties van Satan.


Volgens mij doelt de engel in vers 27 op Satan, de ‘overwinnaar van alle volken[Jesaja 14:12], de macht achter de aardse koningen die strijd voeren tegen Gods volk en de heilige stad. Ik leid dat onder meer af uit wat Daniël ruim twee jaar later hoort en ziet.


Hem verschijnt een hemelse Man,[4] die hem inzicht komt geven in wat er aan het einde van de tijd met Daniëls volk zal gebeuren. De hemelse Man vertelt Daniël dat de vorst van het Perzische koninkrijk dat wilde verhinderen. En 21 dagen kon hij Hem tegenhouden [Daniël 10:13],[5] totdat Michaël, de grote vorst die de kinderen van Daniëls volk terzijde staat [Daniël 12:1; Jesaja 63:9], Hem te hulp schoot. En dadelijk moet Hij weer terug om verder te strijden tegen de vorst van Perzië. En als die vorst is overwonnen, wacht Hem de vorst van Griekenland [Daniël 10:20].[6]


Het is duidelijk dat de hemelse Man hier niet spreekt over aardse vorsten, maar over de hemelse vorsten achter de aardse koningen van Perzië en Griekenland, ‘de heersers en machthebbers van de duisternis’, zoals Paulus ze noemt [Efeziërs 6:12]. Zij zijn het die met Satan rebelleren tegen de Schepper van hemel en aarde [Genesis 6:2; Psalm 82]. Maar van Michaël weten we dat hij God altijd trouw zal blijven. Hij is het die, met de engelen die onder hem zijn gesteld, in de onzichtbare wereld oorlog voert tegen Satan en zijn medestanders en hen uiteindelijk zal overwinnen [Openbaring 12:7].


Hij, Satan, weet tot op de dag van vandaag telkens weer een sterk bondgenootschap te sluiten met politieke en religieuze leiders van verschillende pluimage die bereid zijn Gods reddingsplan te dwarsbomen. Hoeveel volken en leiders hebben zich in de loop van de geschiedenis niet laten gebruiken door Satan in zijn poging het Joodse volk uit te roeien of het uit zijn land te verdrijven, om de woonplaats van God te bezetten en het land en de stad van zijn Joodse identiteit te ontdoen? Egyptenaren, Amalekieten, Assyriërs, Babyloniërs, Perzen, Filistijnen, Romeinen, Byzantijnen, Kruisvaarders, Mammelukken, Mongolen, Russische Kozakken, Turken, Britten, Duitsers, Arabische moslims, noem maar op. Zelfs de grootste vijanden verenigden zich in hun haat tegen Gods volk. Ze waren bereid hun ziel aan Satan te verkopen, in zijn poging Gods uitverkorenen te vernietigen.


Satans bondgenootschap met velen was zo sterk, dat het Joodse volk zou zijn uitgeroeid als God zelf niet had ingegrepen [Mattheüs 24:22].


‘Gruwel van ontzetting’


Daniël 9:27 [EV] (…) en op de vleugel zal een gruwel van ontzetting te zien zijn, tot de voleinding toe, die – vastbesloten – over de veroorzaker ervan uitgestort zal worden.


De engel Gabriël vertelt Daniël dat op ‘de vleugel’, dus op één van de flanken[7] van het verwoeste tempelcomplex, een ‘gruwel van ontzetting’ te zien zal zijn. In het Bijbelboek Daniël lezen we een aantal keer over de afschaffing van het dagelijkse offer en de oprichting van ‘een gruwel van ontzetting’. Zo lezen we in Daniël 8:9-14 en Daniël 11:21-31 [EV] over een meedogenloze en verachtelijke koning die met zijn legermacht de Tempel ontwijdt, het dagelijks offer afschaft en in plaats daarvan ‘een gruwel van ontzetting’ opricht. Maar ‘na 2.300 avonden en ochtenden’ zal het Heiligdom weer in ere worden hersteld. Daarnaast lezen we in Daniël 12:11 [NB/EV] dat ‘vanaf de tijd dat het dagelijks offer wordt verwijderd om ruimte te geven aan een gruwel van ontzetting, er 1.290 dagen zullen verstrijken.’


Hoewel de meeste uitleggers ervan uitgaan dat het in al deze gevallen over dezelfde gebeurtenis gaat, komt het mij veel waarschijnlijker voor dat hier, zoals in de meeste profetieën, sprake is van meerdere lagen van vervulling en dat het hier om ten minste twee verschillende perioden in de heilsgeschiedenis gaat: één die reeds achter ons ligt en één die nog gaande is.


Over de hiervoor bedoelde gebeurtenissen, zoals beschreven in Daniël 8 en Daniël 11, bestaat in zoverre overeenstemming, dat de meeste uitleggers ervan uitgaan dat het hier gaat om de ontwijding van de Tempel door Antiochus IV Epifanes. Deze bloeddorstige vorst viel omstreeks 27 av 3592 (11 augustus 169 v.Chr.) met een groot leger Jeruzalem binnen en ontwijdde de Tempel.


1 Makkabeeën 1:20-22In zijn hoogmoed drong hij (Antiochus) de Tempel binnen, roofde het gouden altaar, de lampenstandaard met alle toebehoren, de tafel van het toonbrood, de plengschalen, de offerschalen, de gouden wierookschalen, het voorhangsel en de kransen, en haalde de gouden versieringen van de voorgevel.


Naast alle slechte dingen die Antiochus had gedaan, liet hij op 15 kislew 3596 (22 november 166 v.Chr.), op de plaats waar het gouden altaar had gestaan waarop ter ere van de levende God offergaven werden gebracht, ook nog een altaar bouwen ter ere van Zeus, waarop hij varkens en andere onreine dieren liet offeren [1 Makkabeeën 1:54]. Maar op 25 kislew 3599 (29 november 163 v.Chr.) werd het Heiligdom weer gereinigd en werd het nieuwe altaar ingewijd [1 Makkabeeën 4:52-54]. Het is het wonderlijke verhaal dat we kennen van Chanoeka.[8]


In