DANIËLS VISIOEN OVER DE ZEVENTIG WEKEN [DEEL 2]

Dit is het tweede deel van de Bijbelstudie van Bas van Twist naar aanleiding van Daniël 9:22-27. Het verdient aanbeveling om eerst deel 1 te lezen voordat je aan dit vervolg begint.



Jeshua, de Messías


Daniël 9:26 [EV]Ná die 62 zeventallen zal de Messías gedood worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn (…)


Niet de geboorte van de Messías wordt als eerste door de engel Gabriël aangekondigd [Lucas 1:26-28], maar Zijn dood. Want het is uiteraard niemand minder dan Jeshua, ‘de Zoon van de levende God[Mattheüs 16:16], op wie de engel hier doelt, van wie Paulus getuigt dat Hij ‘zichzelf gegeven heeft voor onze zonden om ons te bevrijden uit deze door het kwaad beheerste wereld[Galaten 1:4], en over wie Jesaja in gelijke woorden profeteert.


Jesaja 53:5-10 [NBV/EV] Om onze zonden werd Hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor onze shalom werd Hij getuchtigd, Zijn striemen brachten ons genezing. Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de HEER op Hem neerkomen. Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed Zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed Hij Zijn mond niet open. Door een onrechtvaardig vonnis werd Hij weggenomen. Wie van Zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van Mijn volk werd Hij geslagen. Hij gaf zich, tegader met misdadigers, over aan het graf. Zijn laatste rustplaats was bij de rijken. Toch had Hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken. Maar de HEER wilde Hem breken, Hij maakte Hem weerloos. Hij offerde Zijn leven voor hun schuld, opdat zij zouden zien (Zijn Koninkrijk) en lang zouden leven. En door Zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.


Romeinen


Daniël 9:26 [EV] (…) En het volk van de prins, dat komen zal, zal de stad en het Heiligdom verwoesten, en het einde zal zijn met een overstromende vloed. Tot aan het einde van de vijandelijkheden zullen ze zijn afgesloten door de verwoesting, zoals is vastgesteld.


Ná de moord op de Messías, zo vertelt Gabriël, zal er een volk komen dat de stad en het Heiligdom opnieuw zal verwoesten. Dus terwijl de engel eerst spreekt over de herbouw van de stad en de Tempel, kondigt hij tegelijk ook weer de verwoesting daarvan aan.


Dat met het volk dat komen zal en Jeruzalem en de Tempel zal verwoesten, de Romeinen wordt bedoeld, lijdt geen twijfel [Mattheüs 23:38-39]. Rome, dat binnen een paar eeuwen door bloedige veroveringen een wereldrijk is geworden, maakt in 63 v.Chr. van Judea een vazalstaatje onder Romeins gezag. In 6 AD wordt Judea een Romeinse provincie en moet er aan de Romeinen belasting worden betaald. Naarmate de Romeinse invloed toeneemt, nemen de irritaties en provocaties over en weer toe. Als de wrede keizer Nero in 66 AD een groot bedrag uit de kas van de Tempel rooft, breekt er in Judea een opstand uit, die in dat jaar leidt tot de zogeheten Joodse Oorlog.


In diezelfde tijd bevechten rivaliserende Joodse stromingen elkaar met het zwaard. Hun onderlinge strijd om de macht maakt het voor de arme bevolking in Jeruzalem, Judea en Galilea nog ondraaglijker.[1]


Over die huiveringwekkende tijd profeteerde Jeshua amper vier decennia eerder:


Lucas 21:23Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! Want er zal ontzaglijk veel leed zijn in het land, en een zwaar vonnis zal de bevolking treffen.


Uiteindelijk ziet de meedogenloze Nero zich genoodzaakt om met geweld de Joodse opstand neer te slaan. Hij stuurt daarvoor zijn, bij hem in onmin geraakte, generaal Vespasianus. Echter, als Nero in 68 AD sterft, wordt Vespasianus door de legerleiding uitgeroepen tot keizer en gaat hij terug naar Rome om de troon op te eisen. Hij laat het verder aan zijn zoon Titus (‘de prins’) over om het Joodse verzet neer te slaan. Titus doet dat uiteindelijk in 70 AD op beestachtig wijze.


Ten slotte wordt heel Jeruzalem door de Romeinen in de as gelegd. ‘Met een overstromende vloed’ van gewelddadigheden wordt op 9 av 3830 (2 augustus 70) ook de Tempel door vuur verwoest en blijft geen enkele steen op de andere, zoals Jeshua had voorzegd [Mattheüs 24:2]. ‘Tot aan het einde van de vijandelijkheden’ zullen de stad en de Tempel afgesloten blijven.[2]


Jeremia 26:18Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De Sion zal als een akker worden omgeploegd, Jeruzalem zal tot een puinhoop worden, de Tempelberg tot een overwoekerde heuvel.


Gedurende de Joodse Oorlog (66 – 70) en de daaropvolgende Bar Kochba-opstand (132 – 136), worden naar schatting anderhalf miljoen Joden, ongeveer een derde van de bevolking, door de Romeinse soldaten afgeslacht. Nog eens een derde van de bevolking wordt krijgsgevangen genomen, sterft aan de honger[3] of wordt als slaaf verkocht, terwijl opnieuw een derde van de bevolking de grens over vlucht [Ezechiël 5:12]. De diaspora is daarmee een feit en zal zo’n negentien eeuwen duren.


Herbouw vóór de wederkomst?


Dat het zeventigste zevental, zoals de meeste Bijbeluitleggers aannemen, ziet op de laatste zeven jaar vóór de wederkomst, geloof ik niet. Want dat zou namelijk betekenen dat vóór de komst van de Mensenzoon eerst nog de Tempel moet worden herbouwd en de offerdienst hersteld. We lezen immers dat ‘hij’ de helft van het zevental offers noch gaven zal laten brengen en dat er, in plaats van het dagelijks offer, een gruwel van ontzetting te zien zal zijn. En wat er niet is, kan ook niet worden afgeschaft.


Dat de Tempel niet herbouwd wordt vóór dé Messías terugkomt, volgt niet alleen uit ons Bijbelgedeelte, waar we lezen dat de ‘gruwel van ontzetting’ tot de voleinding te zien zal zijn, maar dat volgt ook uit Zacharia 6:12, waar we lezen dat een Man, met de naam Telg, die aan de stam van David zal uitbotten, de Tempel van de HEER zal herbouwen. Het is de echo van de godsspraak van de profeet Natan over Salomo [2 Samuel 7:13]. Zoals de hogepriester Jozua een voorafschaduwing is van de komende Messías, zo is de Tempel, die in de tijd van Jozua in aanbouw is, een voorafschaduwing van de Tempel die door dé Messías zal worden herbouwd [Daniël 7:13; Mattheüs 24:30; Openbaring 22:16].


De Tempel zal daarom pas worden herbouwd als Jeshua, onze Heer, terug is op aarde om het hemels Koninkrijk te grondvesten, en niet al vóór die tijd. Dat wil overigens niet zeggen dat er niet alvast voorbereidingen getroffen kunnen worden voor de herbouw, zoals David dat deed in zijn dagen [1 Kronieken 22:5] en het Tempelinstituut dat doet in onze dagen – integendeel!


Wie is ‘hij’?


Daniël 9:27 [EV]Hij zal een sterk bondgenootschap sluiten met velen, een zevental lang (…)


Zou het hier, net als in vers 26, gaan om Titus, de zoon van keizer Vespasianus, ‘de prins’, die met zijn Romeinse legioenen Jeruzalem verwoestte en de Tempel in vlammen deed opgaan? Volgens mij niet. Uit de tekst maak ik op dat met deze ‘hij’ niet wordt gedoeld op een menselijke vijand, maar op de onzichtbare macht daarachter. Achter de aardse vorsten zijn immers onzichtbare machten werkzaam. We kunnen daarover lezen in Psalm 82 en Efeziërs 6:12, maar ook in het spotlied op de koning van Babylonië [Jesaja 14:11-16] en het spotlied op de koning van Tyrus [Ezechiël 28:12-17], waarin deze vorsten worden ontmaskerd als aardse manifestaties van Satan.


Volgens mij doelt de engel in vers 27 op Satan, de ‘overwinnaar van alle volken[Jesaja 14:12], de macht achter de aardse koningen die strijd voeren tegen Gods volk en de heilige stad. Ik leid dat onder meer af uit wat Daniël ruim twee jaar later hoort en ziet.


Hem verschijnt een hemelse Man,[4] die hem inzicht komt geven in wat er aan het einde van de tijd met Daniëls volk zal gebeuren. De hemelse Man vertelt Daniël dat de vorst van het Perzische koninkrijk dat wilde verhinderen. En 21 dagen kon hij Hem tegenhouden [Daniël 10:13],[5] totdat Michaël, de grote vorst die de kinderen van Daniëls volk terzijde staat [Daniël 12:1; Jesaja 63:9], Hem te hulp schoot. En dadelijk moet Hij weer terug om verder te strijden tegen de vorst van Perzië. En als die vorst is overwonnen, wacht Hem de vorst van Griekenland [Daniël 10:20].[6]


Het is duidelijk dat de hemelse Man hier niet spreekt over aardse vorsten, maar over de hemelse vorsten achter de aardse koningen van Perzië en Griekenland, ‘de heersers en machthebbers van de duisternis’, zoals Paulus ze noemt [Efeziërs 6:12]. Zij zijn het die met Satan rebelleren tegen de Schepper van hemel en aarde [Genesis 6:2; Psalm 82]. Maar van Michaël weten we dat hij God altijd trouw zal blijven. Hij is het die, met de engelen die onder hem zijn gesteld, in de onzichtbare wereld oorlog voert tegen Satan en zijn medestanders en hen uiteindelijk zal overwinnen [Openbaring 12:7].


Hij, Satan, weet tot op de dag van vandaag telkens weer een sterk bondgenootschap te sluiten met politieke en religieuze leiders van verschillende pluimage die bereid zijn Gods reddingsplan te dwarsbomen. Hoeveel volken en leiders hebben zich in de loop van de geschiedenis niet laten gebruiken door Satan in zijn poging het Joodse volk uit te roeien of het uit zijn land te verdrijven, om de woonplaats van God te bezetten en het land en de stad van zijn Joodse identiteit te ontdoen? Egyptenaren, Amalekieten, Assyriërs, Babyloniërs, Perzen, Filistijnen, Romeinen, Byzantijnen, Kruisvaarders, Mammelukken, Mongolen, Russische Kozakken, Turken, Britten, Duitsers, Arabische moslims, noem maar op. Zelfs de grootste vijanden verenigden zich in hun haat tegen Gods volk. Ze waren bereid hun ziel aan Satan te verkopen, in zijn poging Gods uitverkorenen te vernietigen.


Satans bondgenootschap met velen was zo sterk, dat het Joodse volk zou zijn uitgeroeid als God zelf niet had ingegrepen [Mattheüs 24:22].


‘Gruwel van ontzetting’


Daniël 9:27 [EV] (…) en op de vleugel zal een gruwel van ontzetting te zien zijn, tot de voleinding toe, die – vastbesloten – over de veroorzaker ervan uitgestort zal worden.


De engel Gabriël vertelt Daniël dat op ‘de vleugel’, dus op één van de flanken[7] van het verwoeste tempelcomplex, een ‘gruwel van ontzetting’ te zien zal zijn. In het Bijbelboek Daniël lezen we een aantal keer over de afschaffing van het dagelijkse offer en de oprichting van ‘een gruwel van ontzetting’. Zo lezen we in Daniël 8:9-14 en Daniël 11:21-31 [EV] over een meedogenloze en verachtelijke koning die met zijn legermacht de Tempel ontwijdt, het dagelijks offer afschaft en in plaats daarvan ‘een gruwel van ontzetting’ opricht. Maar ‘na 2.300 avonden en ochtenden’ zal het Heiligdom weer in ere worden hersteld. Daarnaast lezen we in Daniël 12:11 [NB/EV] dat ‘vanaf de tijd dat het dagelijks offer wordt verwijderd om ruimte te geven aan een gruwel van ontzetting, er 1.290 dagen zullen verstrijken.’


Hoewel de meeste uitleggers ervan uitgaan dat het in al deze gevallen over dezelfde gebeurtenis gaat, komt het mij veel waarschijnlijker voor dat hier, zoals in de meeste profetieën, sprake is van meerdere lagen van vervulling en dat het hier om ten minste twee verschillende perioden in de heilsgeschiedenis gaat: één die reeds achter ons ligt en één die nog gaande is.


Over de hiervoor bedoelde gebeurtenissen, zoals beschreven in Daniël 8 en Daniël 11, bestaat in zoverre overeenstemming, dat de meeste uitleggers ervan uitgaan dat het hier gaat om de ontwijding van de Tempel door Antiochus IV Epifanes. Deze bloeddorstige vorst viel omstreeks 27 av 3592 (11 augustus 169 v.Chr.) met een groot leger Jeruzalem binnen en ontwijdde de Tempel.


1 Makkabeeën 1:20-22In zijn hoogmoed drong hij (Antiochus) de Tempel binnen, roofde het gouden altaar, de lampenstandaard met alle toebehoren, de tafel van het toonbrood, de plengschalen, de offerschalen, de gouden wierookschalen, het voorhangsel en de kransen, en haalde de gouden versieringen van de voorgevel.


Naast alle slechte dingen die Antiochus had gedaan, liet hij op 15 kislew 3596 (22 november 166 v.Chr.), op de plaats waar het gouden altaar had gestaan waarop ter ere van de levende God offergaven werden gebracht, ook nog een altaar bouwen ter ere van Zeus, waarop hij varkens en andere onreine dieren liet offeren [1 Makkabeeën 1:54]. Maar op 25 kislew 3599 (29 november 163 v.Chr.) werd het Heiligdom weer gereinigd en werd het nieuwe altaar ingewijd [1 Makkabeeën 4:52-54]. Het is het wonderlijke verhaal dat we kennen van Chanoeka.[8]


In Numeri 28:1-15 lezen we dat God, bij monde van Mozes, Zijn volk heeft opgedragen om elke avond en elke ochtend Hem een brandoffer op te dragen. Echter, van 11 augustus 169 v.Chr. tot 29 november 163 v.Chr. – dat zijn 2.300 avonden en ochtenden om precies te zijn – kon het volk geen brandoffers opdragen aan de HEER, zoals voorgeschreven, omdat Antiochus het gouden altaar en de offerschalen uit de Tempel had geroofd.


Antiochus IV Epifanes is met zijn hoogmoed en vijandschap tegen Israël en Israëls God een duidelijke voorafbeelding van de tegenstander van God. Toch is hij niet degene waar ons Schriftgedeelte en Daniël 12:11 het over hebben en waar aan Jeshua refereert. Want het door Antiochus ontheiligde altaar werd na 2.300 avonden en ochtenden weer geheiligd, en volgens Daniël 9:27 zal de ‘gruwel van ontzetting te zien zijn, tot de voleinding toe’, dus tot de wederkomst van de Mensenzoon. Ik kom hier straks nog op terug.


Als Jeshua de discipelen er nadrukkelijk op wijst dat ze de bergen in moeten vluchten voor hun leven als ze op de heilige plaats de ‘verwoestende gruwel’ aanschouwen, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, dan zal Hij in eerste instantie ongetwijfeld gedoeld hebben op de Romeinse inname van Jeruzalem en de daaropvolgende verwoesting van de Tempel in het jaar 70 AD [Lucas 21:20]. Dat blijkt onder meer uit de waarschuwing die Mattheüs en Marcus er (tussen haakjes) bij vermelden: ‘lezer, begrijp dit goed[Mattheüs 24:15; Marcus 13:14].


Maar op hetgeen rest van het door brand verwoeste tempelcomplex wordt nog iets opgericht, iets dat daar zal blijven ‘tot de voleinding toe[Daniël 9:27; Daniël 12:11]. Volgens Strong [H8251] ziet het Hebreeuwse woord שׁקּוּץ (sikkoets) – dat door de NBV met ‘afgodsbeeld’ en door de SV met ‘gruwel’ wordt vertaald – op iets dat wordt verafschuwd. Dus op één van de flanken van de plaats die God heeft uitgekozen om voor altijd Zijn Naam te laten wonen [1 Koningen 9:3; Psalm 9:12; Jesaja 60:13], richt de verwoester van Jeruzalem en van de Tempel, als bekroning op zijn misdaden, tot ontzetting van allen die de Vader eren, ook nog een aanstootgevend bouwsel op.


Zou hiermee soms gedoeld worden op de islamitische gebouwen, verrezen op één van de flanken van het tempelcomplex?[9] Dat zou heel goed kunnen, want uit Openbaring 11:2 weten we dat God de voorhof, het grote plein vóór de Tempel [2 Kronieken 4:9], voor een bepaalde tijd aan de heidenen heeft gegeven. Deze voorzegging geldt níet voor de locatie waar de Tempel zelf heeft gestaan, want van de Tempelgebouwen zelf zou namelijk geen enkele steen op de andere blijven [Mattheüs 24:1-2]. Er zou niets anders van overblijven dan een met struikgewas overwoekerde plaats [Jeremia 26:18; Micha 3:12].


In 688, ruim vijftig jaar nadat Jeruzalem door de Arabische moslims is veroverd op de Byzantijnen en de stad zoveel mogelijk is ontdaan van haar Joodse karakter, laat kalief Abd al-Malik uit Damascus, in een poging Jeruzalem als islamitische stad op de kaart te zetten, de achthoekige Rotskoepel oprichten. Na vier jaar is het bouwwerk gereed en kan Satan pochen dat hij zetelt ‘op de toppen van de Safon[Jesaja 14:13].[10]


Op een steenworp afstand van de Rotskoepel, op de plek waar van 560 tot 614 de Byzantijns-christelijke Kerk van de Heilige Maria had gestaan, wordt in 707 begonnen met de bouw van de Al-Aqsamoskee. Na tien jaar is de bouw gereed.


De voorzegging uit Daniël 9:27 en Openbaring 11:2 is een feit geworden: de heidenen hebben de heilige stad vertrapt en hebben, op Gods heilige berg, aanstootgevende gebouwen opgericht tot meerdere eer en glorie van Allah, de islamitische god van verwoesting, dood en verderf.[11]


Prominent en brutaal ontheiligen de Rotskoepel en de Al-Aqsamoskee nu al meer dan dertien eeuwen Gods heilige berg, ontsieren ze het uitzicht op de heilige stad, alsof Jeruzalem de stad van Allah zou zijn in plaats van de HEER van de hemelse machten. Maar met deze schijnbare hegemonie van de islam op Gods heilige berg zal de HEER van de hemelse machten, op Zijn tijd, resoluut afrekenen. Dan zal de ‘gruwel van ontzetting’, het symbool van Gods rivaal, zelf ontzet worden [Daniël 9:27] en zal onder leiding van Jeshua, de Telg uit de stam van David, de Tempel worden herbouwd [Zacharia 6:12; Ezechiël 43:2-7; Haggaï 2:9; Daniël 12:12].


En hoe onmogelijk dat in onze dagen wellicht lijkt: van de Rotskoepel en de Al-Aqsamoskee zal geen enkele steen op de andere blijven, alles zal worden afgebroken. En dat kan gewoon niet lang meer duren, want van de 1.290 dagen[12] dat het dagelijks offer zal zijn afgeschaft [Daniël 12:11], zijn er inmiddels al 1.260 voorbij, zo zullen we zien.


De helft van het zevental


Daniël 9:27 [EV] De helft van het zevental zal hij offers noch gaven laten brengen (…)


In 70 AD werd de Tempel verwoest. Sindsdien kan het volk geen offergaven meer brengen aan de HEER, zijn God. Ik meen daarom dat het jaar 70 het punt markeert midden in het zeventigste zevental. Vanaf toen is de tweede helft van het zeventigste zevental begonnen: de helft, waarin geen offers noch gaven meer kunnen worden gebracht.


Als we ervan uitgaan dat het zeventigste zevental is aangevangen toen God Zijn verbond met Abraham sloot, en de helft van het zeventigste zevental wordt gemarkeerd door het jaar 70, dan voltrekt zich het einde van het zeventigste zevental na een periode die, gerekend vanaf 70 AD, gelijk is aan de periode vanaf de verbondssluiting met Abraham tot het rampjaar 70. Ik kom hier straks nog uitgebreid op terug.


Voorbije perioden


Op andere plaatsen in het Bijbelboek Daniël, maar ook in het laatste Bijbelboek Openbaring komen we een aantal perioden tegen, die onmiskenbaar samenhangen met de tweede helft van het zeventigste zevental. Het gaat daarbij in de eerste plaats niet om een letterlijke periode van zoveel kalenderdagen of -maanden, maar om een periode in geestelijke zin. Een periode waarmee een bepaalde fase in Gods heilsplan wordt uitgedrukt.


In Openbaring 11:1-2 lezen we dat Johannes opdracht krijgt om de maten van Gods Tempel en van het altaar op te nemen, maar de voorhof buiten de Tempel moet overslaan, want die zal bestemd zijn voor de heidenen, die de heilige stad 42 maanden lang zullen vertrappen. Het werd hiervoor al even genoemd. Gedurende diezelfde periode, zo lezen we in Openbaring 13:5-7, krijgt ‘het beest’ (een beeld van Satan) macht over alle landen en volken [Johannes 12:31], lastert hij de Allerhoogste en overwint en onderdrukt hij ‘de heiligen’ (Gods volk).


Verder lezen we in Openbaring 12:6 dat de vrouw (een beeld van Israël) naar de woestijn vlucht, waar 1.260 dagen voor haar gezorgd wordt. In Openbaring 12:14 lezen opnieuw over de vlucht van de vrouw naar de woestijn, waar gedurende ‘een tijd en twee tijden en een halve tijd’ voor haar gezorgd wordt buiten het bereik van de slang. De periode van 1.260 dagen komt dus overeen met (1 + 2 + ½) drieënhalve tijd.


In Daniël 7:23-27 lezen we dat ‘de heiligen van de hoogste God’ (het Joodse volk) gedurende ‘één tijd, een dubbele tijd en een halve tijd[13] aan de heerschappij van een wrede wereldmacht zal zijn overgeleverd. Uit dat rijk zal een heerser voortkomen die zal trachten het Joodse volk te vernietigen. Ook Johannes ziet dat ‘de heiligen’ zullen worden overwonnen en zullen worden onderdrukt [Openbaring 13:5-7]. Volgens Daniël 12:1-7 is dít de tijd van de grote verdrukking, die eindigt wanneer de macht van ‘het heilige volk’ niet langer verbrijzeld zal worden.


Er is duidelijk een verband tussen de perioden van 42 maanden, 1.260 dagen, drieënhalve tijd en de helft van het zevental, wanneer het gaat om een zevental in jaren, want drieënhalf jaar is immers gelijk aan 42 maanden en 1.260 dagen.[14] Het gaat bij deze perioden, zonder twijfel, om de tijd die aanbrak in het jaar 70. En hoewel (de tweede helft van) het zeventigste zevental nog niet ten einde is, ligt de grote verdrukking voor het Joodse volk – waarop de rampzalige perioden van 42 maanden, 1.260 dagen en drieënhalve tijd betrekking hebben – achter het volk.


Bijna negentien eeuwen lang beleefde het Joodse volk de hel op aarde met de onbeschrijfelijke verschrikkingen van de Holocaust als ultieme poging van Satan om Gods heilsplan te dwarsbomen. Het was het ogenblik dat de Vader, in laaiende toorn, Zijn gezicht had verborgen voor Zijn volk [Jesaja 54:8]. Voor het volk leek dat goddelijke ogenblik echter een eeuwigheid. Aan die nacht leek geen einde te komen. Het was een tijd van verdrukking, zoals er nooit eerder was geweest sinds er volken bestaan [Daniël 12:1], een tijd van enorme verschrikkingen, zoals er ook nooit meer zou komen [Mattheüs 24:21; Lucas 23:28-31].


Tot tweemaal toe werd één derde van het Joodse volk uitgeroeid [Zacharia 13:8]: aan het begin van die verschrikkelijke tijd, tijdens de Joodse Oorlog (66 – 70) en de daaropvolgende Bar Kochba-opstand (132 – 136), en aan het einde daarvan, tijdens de Shoah (1939 – 1945). Toch was de Vader erbij, onzichtbaar, al die eeuwen dat het leek alsof Hij niet meer begaan was met Zijn volk [Jesaja 63:9].


Maar in mei 1945 greep God in, zichtbaar, omwille van Zijn uitverkorenen [Mattheüs 24:22].


En drie jaar na die inktzwarte periode,[15] in mei 1948, werd dat godswonder vervuld dat de profeten al mochten zien.


Amos 9:14-15 – Ik zal het lot van Mijn volk Israël ten goede keren. Zij zullen hun verwoeste steden herbouwen en erin wonen, ze zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken, ze zullen tuinen aanleggen en de vruchten ervan eten. Ik zal hen terugplanten in hun grond, en zij zullen niet meer worden weggerukt uit het land dat Ik hun heb gegeven – zegt de HEER, jullie God.


God is opgestaan om zich over Sion te ontfermen [Psalm 102:14]. Het is de beloning die vóór de wederkomst van de Messias uitgaat [Jesaja 40:10, 62:11].[16] De overwinning die God Zijn volk gaf in de Onafhankelijkheidsoorlog (1948 – 1949), de Zesdaagse Oorlog (1967), de Jom Kippoeroorlog (1973) en de andere oorlogen, zijn het bewijs van Gods beschermende hand om Zijn volk, Zijn oogappel [Deuteronomium 32:10; Leviticus 26:8; Micha 7:15; Zacharia 10:6].


Jesaja 52:10 – De HEER ontbloot Zijn heilige arm ten overstaan van alle volken, en de einden der aarde zien hoe onze God redding brengt.


Toen God Zijn volk op de derde dag deed opstaan en recht verschafte [Psalm 90:4; Hosea 6:2], was dat voor de volken hét teken dat zijn macht niet langer verbrijzeld kon worden en dat de Vader elke poging om Zijn volk te vernietigen resoluut zou verijdelen.


Nahum-1:9 [NBV/EV] – De HEER is goed, een vesting in tijden van nood, Hij kent wie bij Hem schuilen. Maar Zijn vijanden jaagt Hij het duister in, met een overstromende vloedgolf verwoest Hij hun stad. Wat denken ze tegen Hem te ondernemen? De HEER verijdelt hun plan, Juda wordt geen tweede keer bedreigd.


Na eeuwen van ballingschap kreeg het Joodse volk een nationaal tehuis: in één dag, op 5 ijar 5708 (14 mei 1948), werd een land gebaard, in één keer werd een natie geboren [Jesaja 66:7]. Geen enkele vorige generatie heeft dit ooit mogen zien. En daarom moeten wij niet zwijgen, maar het uitroepen:


Jeremia 31:7-9De HEER heeft Zijn volk gered, en wat er van Israël nog overbleef bevrijd.


Na de Shoah was voor de Vader de maat vol van de ongerechtigheid van Satans bondgenoten, net als destijds die van de Amorieten [Genesis 15:16; Exodus 12:41]. En dat werd voor het eerst duidelijk, toen in 1948 de Joodse staat Israël werd geproclameerd, precies 1.260 jaar nadat in 688 met de bouw van de Rotskoepel was begonnen. En in 1967 bleek dat opnieuw, toen Jeruzalem werd herenigd en weer in Joodse handen kwam, precies 1.260 jaar nadat in 707 met de bouw van de Al-Aqsamoskee werd begonnen.


Dat het jaar 1948 een radicale omwenteling in de geschiedenis van het Joodse volk markeert, lijdt geen twijfel. Vanaf toen heeft de Vader zichtbaar een keer gebracht in het lot van Zijn volk. Sindsdien verbergt Hij Zijn gelaat niet meer voor hen, maar ontfermt Hij zich weer over Zijn volk ‘met eeuwigdurende liefde’, en brengt Hij hen ‘met hart en ziel’ voorgoed terug naar hun land [Deuteronomium 30:3; Jesaja 30:19, 54:8; Jeremia 30:3, 32:41; Sefanja 3:20].


En ook het jaar 1967 markeert een doorbraak in de Joodse geschiedenis: sindsdien brengt Jeruzalem het volk weer troost en blijdschap, omdat de stad terug is in Joodse handen en niet langer vertrapt wordt door andere volken