• Bas van Twist

DIT IS MIJN VOLK

De meesten van ons zijn wel bekend met de hoofdstukken 12 en 14 van Zacharia, maar hoofdstuk 13 is voor velen minder bekend. Het is ook een moeilijk hoofdstuk, zeker als je je enkel baseert op de Nederlandse Bijbelvertalingen. Maar bij nader onderzoek blijkt dit hoofdstuk onverwachte verwijzingen naar Gods majestueuze reddingsplan te bevatten. Verwijzingen die in de meeste uitgaven helaas zijn weg vertaald. En daarom leek het me goed om dit hoofdstuk eens nader te bestuderen en hierna vers voor vers te bespreken.

Hoofdstuk 13 gaat verder waar het vorige hoofdstuk eindigt, namelijk bij het wonder dat de heilige Geest aanricht in het hart van het volk op "de laatste dag", wanneer ze een levensveranderende ontmoeting hebben met de Zoon en ontdekken wie Hij werkelijk is (1 Johannes 3:2; Jeremia 33:8; Johannes 5:22).

Bron van levend water


Zacharia 13:1 – Op die dag zal er een bron ontspringen waarin de nakomelingen van David en de inwoners van Jeruzalem hun zonde en onreinheid kunnen afwassen.

Om het volk gereed te maken voor de belangrijke taken die het heeft in het Koninkrijk, zal het volk zich moeten reinigen. Zij die Jeshua al kennen, zullen tegen hun volksgenoten, die Hem nog niet kenden, zeggen: "Wat aarzel je nog? Sta op, laat je dopen en je zonden wegwassen, terwijl je Zijn naam aanroept" (Handelingen 22:16). In korte tijd zullen ze Hem allemaal kennen, van groot tot klein (Jeremia 31:34).

Zacharia 13:2 (NBV/EV) – Als die tijd aanbreekt – spreekt de HEER van de hemelse machten – zal Ik alle afgoden uit het land laten verdwijnen; hun namen zullen niet meer worden genoemd. Ik zal ook de valse profeten uitbannen, en met hen de geest van onreinheid die het land bezoedelt.

Alles wat tussen God en Zijn volk in stond, alles wat hen verhinderde Hem te gehoorzamen, zal Jeshua wegvagen uit het land, zodat er niet meer aan wordt gedacht, niet meer naar wordt terug verlangd. Er zal geen onreinheid in het land meer zijn, alles wat het land bezoedelde zal verdwenen en vergeten zijn en ook zullen er geen profeten of geestelijk leiders meer zijn die niet juist over God spreken.

Zacharia 13:3-4 (NBV/EV) Wanneer er dan nog iemand een ​valse profetie​ uitspreekt, zullen zijn eigen vader en moeder, die hem hebben voortgebracht, tegen hem zeggen: ‘Jij kunt niet blijven leven, wanneer je leugens spreekt in de Naam van de HEER.’ Ze zullen hem doorsteken, zijn eigen vader en moeder, die hem zelf hebben voortgebracht, om dat profeteren van hem. Dan zullen ze niet meer voor hun visioenen durven uitkomen, die ​valse profeten. Ze zullen de profetenmantel niet meer aantrekken om de mensen te bedriegen.

Er zullen geen profeten meer zijn in het land die misleidende dromen profeteren en het volk met leugens en aanmatigende praatjes bedriegen en beweren dat het de HEER is die zo spreekt (Jeremia 23:30-31). Degenen die niet juist spraken over God zullen zich schamen en Hem om vergeving smeken. En als er dan toch nog iemand zou zijn die in Gods Naam leugens verkondigt, dan zullen zijn vader en moeder hem doorsteken. Het Hebreeuwse werkwoord dat hier wordt gebruikt, דָּקַר (da-kar'), komen we ook tegen in Zacharia 12:10: "en over Degene die ze hebben doorstoken, zullen ze weeklagen". In de Bijbel heeft dit werkwoord niet alleen de (letterlijke) betekenis van doorsteken, maar (in figuurlijke zin) ook van beschimpen, bespotten. De verwijzing lijkt duidelijk: zoals Jeshua destijds werd beschimpt door Zijn eigen vlees en bloed, zo zal, in het (denkbeeldige) geval er nog iemand leugens verkondigt in de naam van de HEER, zo iemand worden gehoond door zijn eigen vlees en bloed.

Om te dienen


In de NBV lezen we vervolgens in de verzen 5 en 6: "Ze zullen zeggen: 'Ik ben helemaal geen profeet; al van jongs af aan bewerk ik als slaaf de grond.' En wanneer zo iemand gevraagd wordt: 'Hoe kom je dan aan die striemen op je rug?', dan zal hij antwoorden: 'Die heb ik opgelopen in het huis van mijn meesters.'"

De NBV-vertalers veronderstellen blijkbaar – en ze staan daarin bepaald niet alleen – dat het in deze verzen nog steeds gaat om de valse profeet uit de verzen 3 en 4, die zich, uit schaamte voor zijn leugens, voordoet als een slaaf die het land bewerkt. Maar de vertalers slaan hier de plank mis. Ik heb daarom de vrijheid genomen om hier mijn eigen vertaling (EV) te gebruiken bij de bespreking van deze verzen.

Zacharia 13:5 (EV) – Maar Hij zal zeggen: Ik ben geen valse profeet, Ik ben de Man die de hele bewoonde aarde dient, Ik ben als mens voortgebracht van jongs af aan.

Hier is de Messías namelijk aan het woord en niet een valse profeet. In tegenstelling tot de valse profeten spreekt Jeshua wél juist over God. Maar Hij is dan ook de van God gezonden Messías, die als mens naar de wereld is gekomen om te dienen (Mattheüs 20:28), om de wereld met de Vader te verzoenen.

Johannes 3:16-17 Want God had de wereld zo lief dat Hij Zijn Enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. God heeft Zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door Hem te redden.

De mens had gezondigd en God had hem verbannen uit Zijn paradijs.

Genesis 3:17-23 – (...) 'Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die Ik je had verboden. Vervloekt is de aardbodem om wat jij hebt gedaan (…) Daarom stuurde Hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen.

Paulus leert ons dat door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en dat zo de dood voor ieder mens is gekomen, want ieder mens heeft gezondigd. Maar in Jeshua zijn we levend voor God, omdat we door Jeshua als rechtvaardigen zijn aangenomen (Romeinen 5:12, 6:11, 8:10). En voor dat doel is de Zoon door de Vader geworven als mens.

1 Timotheüs 2:5-6 (NBV/EV) – Want er is maar één God, en maar één bemiddelaar tussen God en mensen: de mens Messías Jeshua, die zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen, als het getuigenis voor de vastgestelde tijd.

En dan lezen we in hoofdstuk 13 kort iets over de ontmoeting die er plaatsvindt tussen het volk en Zijn Messías op die grote dag.

Slagplekken


Zacharia 13:6 (EV) – En men zal Hem vragen: "Wat betekenen die slagplekken in het midden van Uw handen?" Dan zal Hij zeggen: "Dat Ik ben geslagen in het huis van Mijn vrienden."

Net als in Zacharia 12:10 en Psalm 22:17 wordt in dit vers gerefereerd aan de kruisdood van de Messías, door te wijzen op de met spijkers doorboorde plekken in zijn handen. Is het in Zacharia 12 en Psalm 22 de Messías Zelf die ernaar verwijst, in Zacharia 13 is het het volk dat erop wijst, wanneer ze Hem vragen waarom Hij die slagplekken in de palmen van Zijn handen heeft, hoe Hij daaraan komt. Vol erbarmen zal Jeshua hen dan uitleggen, dat het was, omdat Hij de straf heeft gedragen voor hun zonden, want de HEER had al hun wandaden op Hem laten neerkomen (Jesaja 53:5-6; Filippenzen 2:7-8).

Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden, leerde Jeshua Zijn discipelen (Johannes 15:13-14). Jeshua Zelf heeft dat volbracht aan het kruishout en straks bij Zijn wederkomst zal het volk dat ten volle begrijpen.

In vers 6 lezen we dat Zijn kruisiging plaatsvond in het huis van Zijn vrienden. De Zijnen, die Hem eerder afwezen (Johannes 1:11), noemt Hij hier dus Zijn vrienden, want ook voor hen heeft Hij Zijn leven gegeven (Jesaja 45:25; Jeremia-33:8; Micha-7:18-19).

Als het volk werkelijk begrijpt wat die littekens in Zijn handen betekenen, dan zal de liefde van twee kanten komen. Dan zullen degenen die Jeshua eerder afwezen, diep voor Hem buigen en zal in hen Zijn grootheid en die van de Vader zichtbaar worden.

De Herder geslagen, de kudde verstrooid


Maar voor het zo ver is, moest de Messías eerst nog lijden en sterven en moest het volk uit het land worden verdreven. En dat lezen we in de volgende verzen.

Zacharia 13:7 (EV) – Ontwaak, o zwaard, tegen Mijn Herder, tegen de Man die Mijn Verwante is, spreekt de HEER van de legermachten. Sla die Herder en de schapen zullen overal verspreid worden. Maar Ik zal Mijn hand uitstrekken naar de zwakken van de kudde.

Toen Jeshua na de sedermaaltijd met de discipelen onderweg was naar de Olijfberg, herinnerde Hij hen aan deze profetie bij monde van Zacharia.

Mattheüs 26:31 – Onderweg zei Jeshua tegen hen: 'Jullie zullen Mij deze nacht allemaal afvallen, want er staat geschreven: "Ik zal de Herder doden, en de schapen van Zijn kudde zullen uiteengedreven worden."

En hoewel de leerlingen, met Petrus voorop, stellig verklaarden Hem nooit in de steek te laten, gebeurde precies wat Zacharia had voorzegd, want toen de Romeinse soldaten Jeshua gevangen namen, lieten ze Hem allemaal in de steek en vluchtten ze weg (Mattheüs 26:56).

Maar deze profetie zag verder dan wat erop die bewuste Pesachavond gebeurde. Niet alleen de discipelen werden uiteengedreven, maar uiteindelijk heel Gods volk. Vanaf het jaar 70 werd het Joodse volk immers verspreid over alle volken en landen. God verborg Zijn gezicht voor hen in laaiende toorn. Maar, zoals Zacharia ook voorzegde, zou de Vader Zijn hand uitstrekken naar de zwakken van de kudde, Hij zou Zich weer over hen ontfermen en hen vrijkopen (Jesaja 54:8).

Ezechiël 34:12 – Zoals een herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo zal Ik naar Mijn schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle plaatsen waarheen ze zijn verdreven op een dag van dreigende, donkere wolken.

Maar wat een verschrikkelijke tijd ging daar eerst nog aan vooraf, voordat de Vader een keer bracht in hun lot, voordat Hij opstond om Zich over hen te ontfermen. Daarover profeteerde Zacharia ook.

Een tijd van enorme verschrikkingen


Zacharia 13:8 – In heel het land – spreekt de HEER – zal twee derde worden uitgeroeid en omkomen; slechts een derde deel zal worden gespaard.

Uit meerdere historische bronnen weten we dat tussen 66 en 135, de periode van de Joodse opstanden tegen de Romeinen, circa één derde van de Joodse bevolking in het land is omgekomen door het zwaard. Een vergelijkbaar aantal vond de dood in gevangenschap, als slaaf, door de honger of de pest. Nog eens een derde deel werd door de Romeinen gedeporteerd en uiteindelijk verstrooid onder alle volken. En overal waar ze kwamen werden ze opgejaagd, leefden ze in angst en leidden ze een kwijnend bestaan (Ezechiël 5:12). De straf die God, bij monde van Mozes, had voorzegd wanneer het volk Hem ongehoorzaam zou worden, was werkelijkheid geworden (Deuteronomium 28:63-66).

Ook Jeshua voorzegde dat die straf voltrokken zou worden, dat alles wat geschreven stond in vervulling zou gaan (Lucas 21:20-22). Jeshua is er kapot van, omdat Hij als geen ander weet welke rampen het volk zullen overkomen, dat het een tijd zal zijn van enorme verschrikkingen, zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot dan toe nog niet zijn geweest en er ook nooit meer zullen komen (Lucas 19:41-44; Daniël 12:1). Amper vier decennia later breekt die vreselijke tijd aan.

Wij kunnen ons geen voorstelling maken van de ellende en de rampspoed die het Joodse volk in de afgelopen negentien eeuwen heeft meegemaakt. Geen ander volk ter wereld heeft zoveel onrecht en lijden gekend als het Joodse volk.

In vers 8 kan voor פֶּה (peh) ook gelezen worden "derden" (meervoud) in plaats van "derde" (enkelvoud). Verder kan het woord ארץ ('erets) zowel vertaald worden met "het land" als met "de aarde". Ik denk dat we dichterbij de werkelijkheid zitten als we פֶּה (peh) vertalen met "derden", want, zoals we hiervoor zagen, kwam tussen 66 en 135 één derde van de Joodse bevolking in het land om door het zwaard, maar tijdens de Shoah kwam nog eens één derde van alle Joden in de wereld om. Dus tot tweemaal toe werd één derde van het Joodse volk vermoord.

Israëls lot gekeerd


Wij kunnen niet achter de hemelse schermen kijken, maar één ding staat vast: na de Tweede Wereldoorlog is God opgestaan om Zich over Sion te ontfermen (Psalm 102:14). Voor "één tijd, een dubbele tijd en een halve tijd" was het Joodse volk overgeleverd aan de wereldmachten (Daniël 7:25), maar daaraan is een einde gekomen, toen God na de Shoah een keer bracht in hun lot (Amos 9:14; Sefanja 3:20). Vanaf dat moment kan "de macht van het heilige volk niet langer verbrijzeld" worden, omdat God er met eigen ogen over waakt (Daniël 12:7; Zacharia 9:8).

En zoals de Vader al voorzegde bij monde van de profeten, zal deze tijd ook een tijd zijn waarin het volk de HEER, hun God, gaat zoeken, en Hem zal vinden (Deuteronomium 4:29; Jeremia 29:13).

Ezechiël 6:9 – Degenen die ontkomen, zullen aan Mij denken wanneer ze wonen bij de volken waar ze in gevangenschap naartoe worden gevoerd. Ze zullen zich herinneren hoe diep ze Mij krenkten toen hun overspelig hart Mij verliet en hun ogen naar hun afgoden lonkten. Dan zullen ze van zichzelf walgen omdat ze zich zo gruwelijk hebben misdragen, en beseffen dat Ik, de HEER, niet zonder reden heb gezegd dat Ik hun deze rampspoed zou aandoen.

Herstel


De tijd van de enorme verschrikkingen zit erop voor Israël. En dat is niet totdat er weer een nieuwe grote verdrukking voor hen komt, maar voorgoed! Het volk keert terug, eerst naar hun land, dan naar hun God. Eerst is er het aardse herstel, dan het geestelijke herstel (Ezechiël 37:14; 1 Korintiërs 15:46).

Zacharia 13:9 – Dat deel zal Ik louteren in het vuur: Ik zal hen smelten als zilver en zuiveren als goud. Zij zullen Mijn Naam aanroepen en Ik zal antwoorden. Ik zal zeggen: 'Dit is Mijn volk,' en zij zullen zeggen: 'De HEER is onze God'.

Omwille van Zijn heilige Naam beloofde God Zijn volk weer bijeen te brengen uit alle landen waarheen Hij ze had verjaagd. Met hart en ziel zou Hij hen weer zegenen en hen voorgoed terugplanten in hun grond (Jeremia 32:41; Amos 9:15).

Sinds 1948 zien we die beloften in vervulling gaan. Tot in detail. We zien steden die uit de as herrijzen, puinhopen die weer worden opgebouwd. Het land is weer vol met mensen en dieren. Er worden wijngaarden geplant en tuinen aangelegd, terwijl het volk weer volop te eten en te drinken heeft (Jeremia 30:18; Ezechiël 36:33; Amos 9:13-15; Joël 2:19; Zacharia 8:12).

Vanaf de muren van Jeruzalem heb je een schitterend uitzicht op dit zichtbare, tastbare en levende bewijs van Gods trouw aan Zijn volk.

Dat derde deel dat overleefde, is het Joodse volk in onze dagen. En straks als Jeshua terugkomt zal dat deel belijden: De HEER is onze God!

Levenwekkende dauw


Maar het feest is daarmee nog niet compleet, want het zal ook het langverwachte moment zijn waarop de Messías de doden van Zijn volk zal opwekken.

Johannes 6:39-40 – Dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft: dat Ik niemand van wie Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat Ik hen allen laat opstaan op de laatste dag. Dit wil Mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat Ik hen op de laatste dag uit de dood zal opwekken.

Verschillende profeten hadden dit ook al voorzegd, zoals Jesaja:

Jesaja 26:19 (NBV/GNB) – Jullie doden zullen herleven, de lijken opstaan. Wie in de aarde ligt: Ontwaak en juich! Uw dauw, HEER, is een levenwekkende dauw, door Uw dauw geeft de aarde haar doden terug.

En ook David profeteerde over dit wonder:

Psalm 22:30 – (…) ook zullen voor Hem knielen wie in het graf zijn neergedaald, wie hun leven niet konden behouden.

Als dat allemaal gebeurt, zal elk oog zien dat de Vader alles aan het gezag van de Zoon heeft onderworpen (Hebreeën 2:8). Israël zal eindelijk tot zijn bestemming komen, zoals de Vader die voor ogen stond, toen Hij hen formeerde.

Jesaja 60:21 – Je volk telt enkel nog rechtvaardigen, zij zullen het land voorgoed bezitten. Zij zijn de eerste scheuten van wat Ik heb geplant, Ik heb hen gemaakt om Mijn luister te tonen.

Ja, de kleinste onder de volken zal worden "tot een machtig volk", tot "een onafzienbare menigte" (Jesaja 60:22; Ezechiël 37:10), dat de heidenvolken zal voorgaan in het eren en dienen van God, in het onderwijzen van Zijn leefregels.

Iedereen zal vervuld zijn met ontzag voor de HEER, zelfs de dieren, de bomen, de heuvels en de rivieren (Jesaja 35:1-2, 55:12). Het gezag en de autoriteit die de Vader aan de Zoon heeft gegeven, zal overal op aarde worden herkend en erkend. Geleidelijk zullen de verschillende samenlevingen een nieuwe structuur krijgen naar het concept van Gods Koninkrijk, waar recht en gerechtigheid heersen en waar Jeshua zichtbaar is in de mensen.

Vanaf de Sion zal Gods onderricht klinken en vanuit Jeruzalem zal de wet uitgaan (Jesaja 2:3). Jeruzalem zal in alle opzichten hét centrum van de wereld zijn. En het Joodse volk, dat door de hele wereld eeuwenlang werd veracht, zal door alle volken op aarde met eer en roem worden overladen (Sefanja 3:19-20).

Jeremia 33:9 – Jeruzalem zal Mij weer vreugde geven en Mij lof en roem brengen bij alle volken op aarde. Die zullen horen hoeveel geluk en voorspoed Ik Jeruzalem schenk, en huiveren van ontzag.


Bas van Twist, mei 2020

748 keer bekeken2 reacties

© 2019 by Wachters.nu |  Voorwaarden  |   Privacyverklaring