GEEN TWEEDE KEER!

Bijgewerkt op: 15 jan.

Hemelse opname?


Nogal wat christenen geloven dat er een moment zal aanbreken dat zij in de hemel zullen worden opgenomen. Gedurende hun opname in de hemel zal op aarde de antichrist zich openbaren als de vorst der duisternis en zal ervoor het Joodse volk een zeven jaar durende grote verdrukking aanbreken, waarbij tweederde deel van het Joodse volk zal worden uitgeroeid. Het derde deel dat de grote verdrukking overleeft zal zich uiteindelijk bekeren wanneer de Mensenzoon verschijnt om Zijn duizendjarig Koninkrijk te stichten.


Deze opnametheorie – die je overigens in verschillende varianten tegenkomt – is opgekomen aan het begin van de negentiende eeuw en hangt aan elkaar van discutabele interpretaties van nogal eens uit hun verband gerukte Bijbelteksten. De aanhangers geloven dat ervoor de gemeente, als ‘de bruid van Christus’, een uitverkoren positie is weggelegd aan het einde van de wereldtijden.


Er schort nogal wat aan deze leer, deze theologische dwaling. Zo wordt er in de Bijbel nergens gesproken over een opname van de gemeente in de hemel, niet vóór, niet tijdens en niet na de grote verdrukking. Overigens wordt in de Bijbel de christelijke gemeente nergens als de bruid van de Messías voorgesteld. Daarentegen stelt God wel Zijn volk, Zijn land en Zijn stad voor als Zijn bruid [Jesaja 54:5, 62:4; Jeremia 2:2; Openbaring 21:9-10].


Daarnaast is het een ernstige misvatting en een gotspe te menen dat de zeventigste week uit het visioen van Daniël [Daniël 9] betrekking zou hebben op de periode dat de gemeente zogenaamd naar de hemel wordt geëvacueerd. De engel Gabriël vertelt Daniël immers dat ‘zeventig weken (zeventallen) zijn vastgesteld voor je volk en je heilige stad[Daniël 9:24]. Het gaat in dit visioen dus om een periode die specifiek ziet op Daniëls volk (Israël) en zijn heilige stad (Jeruzalem). Uit niets blijkt dat het zou gaan om een periode die betrekking heeft op de christelijke gemeente [Daniels-visioen-over-de-zeventig-weken-deel-1 en deel-2].


Grote verdrukking


Maar waar ik me bij de opnameleer nog het meeste aan stoor, is het idee dat het Joodse volk na negentien eeuwen van verschrikkingen nogmaals in een grote verdrukking terecht zal komen en opnieuw tweederde deel van zijn bevolking zal worden uitgeroeid. Deze gedachte getuigt niet alleen van een ernstig gebrek aan historisch besef, maar bovenal van een gemis aan vertrouwen in Gods beloften, want de Bijbel leert juist dat het Joodse volk geen tweede keer in de verdrukking komt [Het-aftellen-is-begonnen].


Nahum 1:9 [NBV21]Wat ze ook tegen de HEER beramen, Hij verijdelt hun plan: Juda wordt geen tweede keer bedreigd.


Amos 9:15 Ik zal hen terugplanten in hun grond, en zij zullen niet meer worden weggerukt uit het land dat Ik hun heb gegeven – zegt de HEER, jullie God.


Als Jeshua de discipelen erop wijst dat er voor het volk een tijd zal aanbreken van enorme verschrikkingen, zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot dan toe nooit is geweest en er ook nooit meer zal komen – ergo: de grote verdrukking – dan is het duidelijk dat Hij het heeft over de periode die amper vier decennia later zou aanbreken [Mattheüs 24:21; Lucas 19:41-44].


Lucas 21:20-24 – Wanneer jullie zien dat Jeruzalem door legertroepen omsingeld is, weet dan dat de verwoesting van de stad nabij is. Wie in Judea is moet dan de bergen in vluchten, wie in Jeruzalem is moet er wegtrekken, en wie op het land is moet niet naar de stad gaan, want in die dagen wordt de straf voltrokken, waardoor alles wat geschreven staat in vervulling zal gaan. Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! Want er zal ontzaglijk veel leed zijn in het land, en een zwaar vonnis zal de bevolking treffen. De inwoners zullen omkomen door het zwaard of in gevangenschap worden weggevoerd en onder alle volken worden verstrooid, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is.


De ultieme straf die God bij monde van Mozes en de profeten het volk had voorgehouden als ze zich van Hem zouden afkeren en het verbond zouden verlaten [Deuteronomium 28:15-68; Zacharia 14:2], ging in vervulling, precies zoals Jeshua had voorzegd, toen de Romeinen in het jaar 70 het Joodse verzet meedogenloos neersloegen en Jeruzalem door brand verwoestten. Ook de Tempel lieten ze in vlammen opgaan, zodat er geen enkele steen op de andere bleef [Mattheüs 24:2].


Naar schatting meer dan een miljoen Joden werd door de Romeinse soldaten afgeslacht. Een vergelijkbaar aantal werd krijgsgevangen genomen of als slaaf verkocht. Nog eens ruim een miljoen Joden vluchtte de grens over, waarmee de diaspora een feit werd.


Tot de bodem moest het volk de beker van Gods toorn leegdrinken [Jesaja 51:17], woest als Hij was op Zijn volk. Ze hadden niet naar Hem geluisterd, waren andere goden achterna gelopen en hadden zich nog erger misdragen dan de volken om hen heen. En daarom zou God hen zwaarder straffen dan Hij ooit met iemand had gedaan of zou doen [Ezechiël 5:7-9; Daniël 12:1].


Twee derden


Dat twee derden van het Joodse volk tijdens een periode van grote verdrukking zouden worden uitgeroeid, daarover lezen we in Zacharia.

Zacharia 13:8 [NBG] – In het gehele land, luidt het woord des Heren, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblijven.


Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat men niet ziet (of wil zien) dat deze profetie al helemaal in vervulling is gegaan? Zeker als je bedenkt dat het Hebreeuwse woord ארץ (èrets) zowel ‘land’ als ‘aarde’ betekent. Uit meerdere historische bronnen weten we dat tijdens de Joodse Oorlog (66-70) ruim één derde van de Joodse bevolking in het land omkwam door het zwaard. En tijdens de Shoah werd nog eens ruim één derde van alle Joden in de wereld uitgeroeid. Dus tot tweemaal toe werd één derde van het Joodse volk vermoord. De eerste keer aan het begin van de tijd van enorme verschrikkingen en de tweede keer aan het einde daarvan.


Maar ook in de tussenliggende eeuwen werd het Joodse volk stelselmatig opgejaagd, vermoord, gemarteld en achtergesteld. Vooral in christelijk Europa vonden de meeste misdaden tegen het Joodse volk plaats. Dat kon mede gebeuren omdat de antisemitische kerkvaders meenden dat God Zijn volk had verworpen en daarvoor de kerk in de plaats had gesteld [Johannes 16:2]. Deze duivelse vervangingsdwaling stond aan de wieg van de kruistochten, de inquisitie en de pogroms, die miljoenen Joden het leven kostten. Geen ander continent heeft dan ook zoveel onschuldig Joods bloed aan zijn handen dan uitgerekend christelijk Europa.


Meen niet dat de Vader dit ongestraft zal laten. De Europese landen en volken die het Joodse volk de eeuwen door hebben gekweld, zullen nu uit de beker van Gods toorn moeten drinken [Jesaja 51:23; Jeremia 25:15-17]. Want toen God opstond om zich over Sion te ontfermen, verliet Hij ook Zijn woning om de zelfgenoegzame volken te laten boeten voor hun misdaden tegen Zijn volk, om hun onschuldig vergoten bloed te wreken [Joël 4:21; Jesaja 26:21; Zacharia 1:15].


Ontroostbaar


Wij kunnen ons geen enkele voorstelling maken van de omvang en de aard van het lijden, het onrecht en het ongeluk dat het Joodse volk gedurende negentien eeuwen is overkomen. Maar de Vader wel, want Hij deelde in het lijden van Zijn volk. In al hun nood was ook Hijzelf in nood [Jesaja 63:9]. Al die eeuwen van ellende en rampspoed was Hij erbij, terwijl het leek alsof de Vader niet meer met Zijn volk begaan was. Bij monde van Zijn profeten laat de Vader weten hoe ontroostbaar Hij is al die eeuwen dat Zijn volk door de heidenen werd vertrapt, vermoord, gemarteld en opgejaagd.


Jeremia 8:23 – Ach, was Mijn hoofd maar een waterval, Mijn oog een bron van tranen: dag en nacht zou Ik huilen over de doden van Mijn volk.


Klaagliederen 2:11 – Mijn ogen zijn door tranen verteerd, Mijn ingewanden staan in brand, Mijn maag keert zich om – vanwege de wonden van Mijn volk, omdat kind en zuigeling versmachten op de pleinen van de stad.


Pas na negentien eeuwen nam God de beker van Zijn toorn uit de hand van Zijn volk, hoefde het volk daaruit niet meer te drinken [Jesaja 51:22]. Na de Shoah is voor Israël eindelijk de tijd van genade gekomen [Psalm 102:14]. Bijna twee millennia was het Joodse volk overgeleverd aan de wereldmachten, maar daaraan is een einde gekomen toen God hun lot ten goede keerde [Amos 9:14; Sefanja 3:20; Ezechiël 39:29].


Voorgoed


Het oordeel voor Israël zit erop [Jesaja 30:18]. En dat is niet totdat er weer een nieuwe grote verdrukking voor hen komt, maar voorgoed!


Wij zijn er getuigen van dat de Vader weer welwillend omziet naar Zijn volk. In onze dagen brengt Hij het immers weer terug naar zijn eigen land, waaruit het ruim negentien eeuwen geleden is verdreven. In onze dagen bouwt Hij Zijn volk op om het nooit meer af te breken, plant Hij het terug om het nooit meer uit te rukken. Met hart en ziel voert de Vader Zijn beloofde herstelplan uit [Jeremia 24:6, 32:37-41; Micha 2:12]. Het zijn namelijk de voorbereidingen voor Zijn komende Koninkrijk.


Dat Koninkrijk staat nu nog in de steigers. Niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk, want het beloofde Koninkrijk der Hemelen bevindt zich niet in de hemel, maar hier op aarde, met Jeruzalem als hoofdstad. En vanuit deze stad zal Jeshua, de Koning der Joden, spoedig regeren [Jesaja 9:5-6; Lucas 2:30-32].


Jesaja 9:6 – Groot is Zijn heerschappij, aan de vrede zal geen einde komen. Davids troon en rijk zijn erop gebouwd, ze staan vast, in recht en gerechtigheid, van nu tot in eeuwigheid. Daarvoor zal Hij zich beijveren, de HEER van de hemelse machten.


Zie het als een groot voorrecht dat je tot de laatste generatie behoort voor wie al die profetieën over het herstel van Israël en het komende Koninkrijk zijn opgeschreven [Psalm 102:19].


Op de derde dag


De Vader verborg Zijn gezicht voor Zijn volk in laaiende toorn, één ogenblik lang, maar Hij beloofde Zich weer over Israël te ontfermen met eeuwigdurende liefde [Jesaja 54:8]. Voor het volk leek dat goddelijke ogenblik een eeuwigheid, er leek geen einde aan die nacht te komen! Maar na tweeduizend jaar wendde de Vader Zich weer naar Zijn volk, zoals Hij Zijn volk had beloofd.


Hosea 6:2 – Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet Hij ons opstaan: in Zijn nabijheid zullen wij leven.


Voor God is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag [2 Petrus 3:8; Psalm 90:4]. Na tweeduizend jaar, na twee goddelijke dagen, deed de Eeuwige Zijn volk opstaan uit de dood, zag de wereld het wonder gebeuren waar Ezechiël over profeteerde [Ezechiël 37:7-10]. Uit de concentratiekampen, de schuilkelders en de uitgestorven gebieden van Rusland kwamen ze, gewond, geestelijk beschadigd, van alles beroofd en door iedereen verlaten. Maar ze gingen weer op eigen benen staan en riepen op 14 mei 1948 (5 Ijar 5708) de Joodse staat Israël uit in het land dat God hen had gegeven en Hij aan hun voorouders onder ede had beloofd [Jesaja 66:7; Ezechiël 37:25].


Israëls macht hersteld


In Daniël 7:25 lezen we dat de heiligen van de Allerhoogste voor één tijd, een dubbele tijd en een halve tijd zullen zijn overgeleverd aan de machthebbers van deze wereld. God heeft dus een limiet gesteld aan de tijd dat Zijn land en volk door de heidenen vertrapt zouden worden. Uit Daniël 12:7 weten we dat aan die tijd een einde komt wanneer de macht van het ​heilige​ volk niet langer verbrijzeld kan worden. Feitelijk was dat in mei 1945, toen nazi-Duitsland zich overgaf.


En precies drie jaar later, in mei 1948, werd de Staat Israël geproclameerd. In één dag werd een land gebaard, in één keer werd een natie geboren [Jesaja 66:7]. Zoals God na drie dagen de fundamenten van Zijn scheppingswerk legde en de aarde uit de diepte verrees, zo legde Hij na drie jaren de fundamenten, waarop Zijn Koninkrijk zal verrijzen!


Het was voor vele Joden het startsein om terug te gaan naar het land van hun voorouders.


Jeremia 30:3 – Want de dag zal komen – zegt de HEER – dat Ik het lot van Mijn volk Israël en van Juda ten goede keer, dat Ik hen terugbreng naar het land dat Ik hun voorouders gegeven heb en dat zij het in bezit zullen nemen – spreekt de HEER.


Het was ook het signaal aan de wereld dat vanaf nu God Zelf weer over Zijn volk ging waken [Zacharia 9:8]. En dat bleek onder meer toen Hij Zijn volk de overwinning gaf in de Onafhankelijkheidsoorlog (1948-1949), de Zesdaagse Oorlog (1967), de Jom Kippoeroorlog (1973) en alle andere conflicten nadien. Dankzij Gods sterke hand en opgeheven arm werd de vijand verslagen, zoals God beloofd had.


Zacharia 10:6 – Ik zal het volk van Juda onoverwinnelijk maken en de nakomelingen van Jozef laten zegevieren. Ik ben vol zorg voor hen en zal hen veilig thuisbrengen. Dan zal het weer zijn als voorheen, alsof Ik hen nooit verstoten had, want Ik ben de HEER, hun God, en Ik zal hun gebeden verhoren.



Sinds 6 juni 1967 is ook Jeruzalem weer helemaal in Joodse handen. Dat betekent dat de tijd van de heidenen voorbij is [Lucas 21:24]. Niet langer zijn het bezetters die daar de scepter zwaaien, maar is het Gods volk.


Dat de steden zijn herbouwd en weer worden bewoond, dat het land bloeit als een lelie, wortelt als een ceder op de Libanon, dat er weer wijngaarden worden geplant en tuinen worden aangelegd, en dat de Joden vanuit de landen waarheen ze eertijds waren verstrooid terugkeren naar hun eigen land, bewijst dat God is opgestaan om Zich over Sion te ontfermen, dat Hij een keer heeft gebracht in het lot van Zijn volk, dat Hij Zijn gelaat niet langer meer voor hen verbergt.


Pais en vree?


Dat wil overigens niet zeggen dat alles nu ook pais en vree is in het land, en het volk zonder zorgen en zonder opgeschrikt te worden mag wonen in zijn land, zoals God bij monde van Zijn profeten heeft beloofd [Jeremia 30:10]. Nee, die tijd zal pas aanbreken als de Mensenzoon op de wolken des hemels, bekleed met grote macht en luister, terugkomt [Marcus 13:26]. Maar zolang dat moment nog niet gloort, zal het volk geen shalom kennen: de ene keer zal het van buitenaf in zijn bestaan bedreigd worden, de andere keer zal het van binnenuit in zijn vrijheid en saamhorigheid bedreigd worden [Als-het-tumult-losbarst; Zoals-alle-andere-volken].


Maar dat Israël nóg een keer in ballingschap wordt gedreven en nogmaals in een grote verdrukking terecht zal komen – terwijl de christelijke gemeente in de hemel is opgenomen –, is een dwaling, waartegen Paulus ons ernstig zou hebben gewaarschuwd [Kolossenzen 2:8]. Wat de Vader heeft beloofd, dat zal Hij doen [Ezechiël 36:36]. Daar hoeven we nooit aan twijfelen. En daarom geven we de Vader ook geen rust totdat Hij Jeruzalem gesteld heeft tot een lof op aarde voor alle volken [Jesaja 62:7].


Bas van Twist, januari 2022 (laatste bewerking)


3.114 weergaven4 opmerkingen